naar de Voorpagina

Joeperoog

Vraagwoorden
Mandewanti

Algemeen

Anders dan het Nederlands gooit het Plattegonisch 'vragende voornaamwoorden' en zg. 'bijwoorden' op één hoop: die van de mandewanti.

miawie   marrawaar
mianwiens   manrewanneer
mattawat   marmowaarom
melkawelk   moeahoe
milawat voor
Mia fus cadnas?Wie is dat?
Mian atkums cadnas fus?Wiens schuld is dat?
Matta zakojo?Wat is er gebeurd?
Melka name mai griffa?Welke naam zullen we schrijven?
Mila kronst mai ede yesnis?Wat voor groente eten we vandaag?
Marra mai tschiësvrie?Waar komen we uit?
Manre te fus ihem?Wanneer is hij thuis?
Marmo mai fus nis?Waarom zijn we hier?
Moea lin sente nit?Hoe voel je je?

Opmerking

'homatta…!' 'wat…!', 'welk…!' ; 'homoea…!' 'hoe…!'

Homatta lesnas erenosi povo terare hihe.Wat konden die jongens vreselijk giechelen.
Homatta los freuk!Welk een vreugde! Wat een vreugde!
Homoea gak fus man broet!Hoe groot is mijn heide!

naar boven
eaudi

Vragende bijzin

Mandewanti kunnen ook een vragende bijzin inleiden:

Zisch, zem mai oes suse mia cad fus.Nou ja, dan zouden we weten wie het is.
Sus lin matta lin quessa?Weet je wat je moet zeggen?
Ti loquo rivo les mande mia ma melka kompresti.Ze praatten over de vraag wie welke boodschappen moest doen.
Ti bat bem suso mila tenerest ti eusa.Ze wisten niet goed wat voor houding ze moesten aannemen.
Et lin kike marra ta fus.En jij kijkt waar ze is.
Ab ma bat sus manre ta hemmo nis.Maar ik weet niet wanneer ze hier woonde.
Ma moede marmo ti naure zaras.Ik vermoed waarom ze zelden lachen.
Te nit mando moea te povo pipite Algis.Hij vroeg zich af hoe hij Algis kon bespioneren.

naar boven
eaudi

Mandewant is geen betrekkelijk voornaamwoord

Mandewanti worden niet zondermeer als betrekkelijk voornaamwoord gebruikt, i.t.t. wat veel andere west-europese talen wel doen.
Dit geldt ook voor waarvan, waaraan, enz. (zie Betrekkelijk voornaamwoord)

Tae di lus cadnis fus gap.
(Ook wel: Di lus…)
Wie dit leest is gek.
(Wie als onderwerp. Wie = hij/zij, die)
Tae ma di ehippe, fus uute. Wie ik aantik, is af.
(Wie als voorwerp. Wie = hij/zij, dien)
Cad di zakojo, zakojo.
(Ook wel: Di zakojo…)
Wat gebeurd is, is gebeurd.
(Wat als onderwerp. Wat = dat, wat)
Cad lin di bette me, fus trauskoschet rapp. Wat je moet doen, is hard wegrennen
(Wat als voorwerp. Wat = dat, wat)
Noere sla les ziefi fo uute, mai po e main stimpi. Pas wanneer (= toen/als) de lichten uit waren, gingen wij naar onze kamers.
Les ristiar de di katum fo hursu. De rijkaard wiens geld gestolen was.
Les zache rivo di cad neati topike. De zaak waarom het eigenlijk gaat.
Te oo boemoexu de ten skenter, i di oe nok bat kono eltest. Hij was uit zijn geboorteland gevlucht, waar men nog geen vrijheid kende.
Pinda doefi, de di mono daf et bloej. Vijf vingers, waarvan één dik en blauw.
Nis fus stenjoili e di oe pove loeke oen terti. Hier zitten haakjes waaraan je je kleren kunt ophangen.
Nis los pattrakoeres fus cir di les hoska fus toekloedu. Hier ligt een rotsblok waardoor de grot afgesloten is.

Vergelijk in dit verband de volgende twee zinnen:

Te zako i toe lechi marra te povo gavie. Hij zocht op alle plekken waar hij kon duiken
= Overal zocht hij (met de vraag) waar hij zou kunnen duiken.
Te zako i toe lechi i di te povo gavie.Hij zocht op alle plekken waar hij kon duiken
= Waar hij ook maar kon duiken, zocht hij.

naar boven
eaudi