naar de Voorpagina

Joeperoog

Werkwoord
Zakojwant

Zakojwant betekent gebeurwoord. Dat is een betere term dan werkwoord, zeker voor zaken als slapen, nietsdoen, genieten, stromen.

Anders dan het Frans of Duits, biedt het Plattegonisch geen horrorverhaal met in het hoofd te stampen irréguliers of Wesentliche Ausnahmen im in historisch-grammatischer Hinsicht zu verstehenden Lautgesetzlichen e/i-Wechsel. Wel zijn er 15 werkwoorden die iets afwijken van de regelmaat.

Inhoud

Tijden en wijzen

Het Plattegonisch kent ongeveer dezelfde tijden en wijzen als het Nederlands en omringende talen. De nodende tijd valt daarbij op als typisch Plattegonisch. Daarnaast heeft het Plattegonisch een eigen manier van omgaan met niet-gebeurde tijd.

Tegenwoordige tijd

De tegenwoordige tijd kenmerkt zich door stam + e

ma fikteik verzin
lin fiktejij/u verzint
ta fiktezij verzint
tae fiktehzij verzint
te fiktehij verzint
(in de rest van dit overzicht gebruiken we alleen tae)
kat fiktehet verzint
mai fiktewij verzinnen
lini fiktejullie verzinnen
ti fiktezij verzinnen
oe fiktemen verzint

Gebruik

Net als in het Nederlands kan het Plattegonisch in tegenwoordige tijd ook een toekomst of een gebiedende wijs uitdrukken.

Ma pe e baile, tampe lin? Ik ga naar de stad, ga je mee?
Jesnas ma pe e baile. Morgen ga ik naar de stad.
Reste nis! Ma pe e baile. Blijf hier! Ik ga naar de stad.

In de direkte rede van de spreektaal wordt -e van de tegenwoordige tijd soms vervangen door een apostrof (').

"Kik' nas," Latub quesso, "ruf' lin ke mai pov' breike kat?" "Kijk daar," zei Latub, "denk je dat we daar bij kunnen?"

naar boven
eaudi

Verleden tijd

De verleden tijd kenmerkt zich door stam + o

ma fiktoik verzon, ik heb verzonnen
lin fiktojij/u verzon, jij hebt verzonnen
tae fiktohzij verzon, hzij heeft verzonnen
mai fiktowij verzonnen, wij hebben verzonnen
etfenz

Gebruik

In vergelijking met net Nederlands gebruikt het Plattegonisch deze verleden tijd op -o vaker dan de voltooide tijd.

Te bat hasno valde. Hij durfde niet te gaan.
Mai euso bem krefi. We hadden goede kansen.
We hebben goede kansen gehad.
Ta resto nas toejes. Ze bleef daar de hele dag.
Ze is daar de hele dag gebleven.
Les ahopmoes ma di voro eit. Het mooiste wat ik ooit heb gezien.

naar boven
eaudi

Voltooide tijd

De voltooide tijd wordt gevormd met het hulpwerkwoord euse hebben + voltooid deelwoord.
Voltooid deelwoord: stam + u.

ma eus fiktuik heb verzonnen
lin eus fiktujij hebt verzonnen
tae eus fiktuhzij heeft verzonnen
etfenz
ma euso fiktuik had verzonnen
lin euso fiktujij had verzonnen
etfenz

Het Plattegonisch gebruikt voor de voltooide tijd altijd het hulpwerkwoord euse, ook waar het Nederlands een vorm van zijn gebruikt:

Ma eus vriu et valdu. Ik ben gekomen en gegaan.
Ti euso skenu brecho et moeru brecho. Ze waren arm geboren en arm gestorven.

In spreektaal kunnen verleden tijd en voltooid verleden tijd de 'voltooidverledentoekomendetijd' *) vervangen.

François suur euso voru kat sla Bodo moerknallo los ilpa. François had het zeker gezien als Bodo een kip doodschoot.
François zou het zeker gezien hebben als Bodo een kip zou hebben doodgeschoten.

*) wat een woord! afschaffen!

naar boven
eaudi

Toekomende tijd

De toekomende tijd wordt gevormd met het hulpwerkwoord one zullen + onbepaalde wijs.

ma on fikteik zal verzinnen
lin on fiktejij zult verzinnen
etfenz

 

ma on euse fiktuik zal verzonnen hebben
etfenz

Gebruik

Vanzelf wordt de toekomende tijd voor de toekomst gebruikt. Net als in het Nederlands kan men echter ook de tegenwoordige tijd gebruiken, vooral in spreektaal.

Jesnas ma pe e baile.Morgen ga ik naar de stad.
Jesnas ma on pe e baile.Morgen zal ik naar de stad gaan.
Jesnas ma eus kunrachu man boch.Morgen heb ik mijn boek voltooid.
Jesnas ma on euse kunrachu man boch.Morgen zal ik mijn boek voltooid hebben.

naar boven
eaudi

Gebiedende wijs

De gebiedende wijs kenmerkt zich door stam of stam + e

pe!ga!
fikte ats!verzin iets!
fus joexim!wees op tijd!
traustordome!donder op!

naar boven
eaudi

Nodende tijd

De nodende tijd kenmerkt zich door stam + a

ma fiktalaat ik (maar) verzinnen
(lin) fiktaverzin (maar)
tae fiktalaat hzij verzinnen
mai fiktalaten we verzinnen
lini fiktaverzinnen jullie maar
ti fiktalaten ze verzinnen

Gebruik

De nodende tijd is iets typisch Plattegonisch. Waar de gebiedende wijs alleen in de tweede persoon staat, kan de nodende wijs alle personen betreffen. Het kan worden gebruikt:

  • als 'mild - gebiedende' wijs: triza hoor maar
  • als aansporing of uitnodiging voor zichzelf of voor anderen: laat ik…
  • als uitdrukkelijke wens t.a.v. een derde persoon
1e persoon
Ma pa e baile. Laat ik naar de stad gaan.
Ma tschopsa. Laat ik opschieten.
Mai ema vanach terti. Laten we oude kleren aandoen.
2e persoon
Resta nis, ma pe e baile. Blijf jij (maar) hier, ik ga naar de stad.
Ma pe e baile, lin tampa. Ik ga naar de stad, ga maar mee.
3e persoon
Te tschiesa katnas! Laat hij daarmee ophouden!
(Bordje in museum:) Les tizivari etomma bats. De bezoekers wordt verzocht niets aan te raken.
Les garm jaja! Leve de koningin!

Een vragende of ontkennende nodende tijd is niet altijd letterlijk te vertalen:

Ma bat eskita nit. Laat ik me niet opwinden.
Ik moet me maar niet opwinden.
Mai ema vanach terti? Zullen we oude kleren aandoen?
Bat eda tat maan kowekili. Je zou niet zoveel koekjes moeten eten.

De nodende tijd kan ook in bijzinnen voorkomen

Ti borgelo, melka renk ti prisa. Ze overlegden, welke kleur ze zouden nemen.
Mai bat suso mia bromika les brottili. We wisten niet wie de broodjes zou (moeten) smeren.
Ma hade ke te male fus traus, eschke ma pova izake lesnis lech. Ik hoop dat hij eens weg is, opdat ik deze plek kan onderzoeken.

Voor formuleringen als Moge... bestaat een vorm op -oi. De woordvolgorde is in deze wensvorm nogal vrij.

Te nas vortoi koes. Moge hij daar rust vinden.
Les djoi wakoi lis. Mogen de goden u bewaren.
Wakoi lis les djoi. Mogen de goden u bewaren.
Pertsoi mai lengal et jerm dilani. Mogen we lange en warme zomers beleven.

naar boven
eaudi

Onbepaalde wijs (infinitief)

De infinitief eindigt meestal op -e.

Lin bat on jorpe. Je zult niet huilen.
Te ono tonkare snoenus nok maanus. Hij zou later nog meer vertellen.
Ro, oe sale niige nis. Ja, men mag hier roken.
Ma pove rioeke nostimo. Ik kan lekker koken.
Thus lin doe vole robale? Dus jij wilt wel werken?
Bat, ma bette robale. Nee, ik moet werken.
Ta baschome kike. Ze hoeft niet te kijken.
Mai mo febre lis, aeh. We lieten je schrikken hè.
Bem, mai aispare valde lis. Goed, we laten je gaan.
Ta po ste, mokke, dosse, isbre, joeche, kolumpe,… Ze ging staan, liggen, zitten, lopen, slapen, zwemmen,…

Ook na baschome niet hoeven te en hasne durven te

Ma baschome uuteme man fanela. Ik hoef mijn hemd niet uit te doen.
Te bat hasno operale les dran. Hij durfde de deur niet te openen.

Maar de infinitief eindigt op -et:

  • als de infinitief als zelfstandig naamwoord gebruikt wordt
  • na het voorzetsel e om te
  • in de samenstelling fuse mian bezig zijn, aan het…
Jojet fus boelangnus sla jorret. Spelen is belangrijker dan winnen.
Ma po e Bommel e voret les tomp. Ik ging naar Bommel om de brug te zien.
Mai fuso mian braffet barga. We waren fijn aan het schilderen.

⇒ Maar: dosse griffian, ste hahian: zitten te schrijven, staan te lachen enz.
(zie ook Tegenwoordig deelwoord)

Ta ste loquian tam les napoeri. Ze staat te praten met de buren.
Ta ste hahian loquian tam les napoeri. Ze staat lachend te praten met de buren.
Ma jarkis dosso jorpian. Ik zat gewoon te janken.
Taenas toezim isbre galian. Die loopt altijd te zingen.

naar boven
eaudi

Tegenwoordig en voltooid deelwoord

Tegenwoordig gaat het tegenwoordig deelwoord uit op -ian (vroeger op -jan; deze variant treft men soms nog wel aan).

joechian slapend
fiktian verzinnend
jojian spelend
lusian lezend

Let op de volgende vormen:

mian (< me) doende
pian (< pe) gaand
stian (< ste) staand

Het voltooid deelwoord gaat uit op -u.

valdu gegaan
keptu gevangen
loqu gesproken

Het voltooid deelwoord kan ook zelfstandig worden gebruikt:

les moeru, les moerui *) de overledene, de overledenen
les devesku, les deveskui *) de verdachte, de verdachten

*) u en i worden apart uitgesproken: [u-i]

naar boven
eaudi

Wederkerend werkwoord

Bij het wederkerend werkwoord kan het Plattegonisch nit 'zich' zowel in de eerste persoon gebruiken als ook in de tweede en derde persoon:

Ma sento nit bemus sla eit.
Ma sento mas bemus sla eit.
Ik voelde me beter dan ooit.
Lin terto lis rapp.
Lin terto nit rapp.
Je hebt je snel aangekleed.
Mai pove wisse nit.
Mai pove wisse mais.
We kunnen ons verbergen.
Les erenosi bem grozo e nit. De jongens zorgden goed voor zich[zelf].

"Onechte" wederkerende werkwoorden (zich schamen, zich vergissen, zich gedragen, zich haasten e.a.) hebben in het Plattegonisch geen nit bij zich:

Ma gidoeko tatsla ‘kat fette’… Ik gedroeg me zoals ‘het hoort’…
…ap zimnis ma honte rivo katnas. …maar nu schaam ik mij daarvoor.
Lin vergonse, mik. Je vergist je, vriend.
Ti diparo e les uutevaldest. Ze haastten zich naar de uitgang.

naar boven
eaudi

Niet-gebeurde tijd en verleden-toekomend: zouden en zouden = 2

Nederlandse kindertjes wordt geleerd dat een zin als: de kraai zou een schadelijke vogel zijn in de 'verleden toekomende' tijd staat. Dit komt door het misverstand dat zou/zouden de verleden tijd is van zal/zullen, dat immers het hulpwerkwoord is van de toekomende tijd.
In negen van de tien gevallen gaat het evenwel om een niet-gebeurd feit, een niet-aantoonbare gebeurtenis. De term 'voorwaardelijke wijs' komt al een stuk dichter in de buurt.

Dit stukje theorie is van belang om het verschil tussen de Plattegonische hulpwerkwoorden oes en ono duidelijk te maken.
Het woord oes wordt gebruikt in de niet-gebeurde, niet-feitelijke tijd, (de kraai zou schadelijk zijn); ono wordt gebruikt in de verleden-toekomende tijd in letterlijke zin: (de zon zou juist opkomen, toen…) In het laatste geval zou je zou kunnen vervangen door ging.

Zowel oes als ono gaan met de onbepaalde wijs +e, en zijn beide — inderdaad — te vertalen met zou, zouden

Bodo vernemauge oes klerose, sla te oes diskose les sukofant. Bodo zou waarschijnlijk wraak nemen indien hij het bedrog zou ontdekken.
(het wraak nemen is (nog) niet gebeurd - en het is de vraag of Bodo iets zal ontdekken)
Bodo snoenus nok ono klerose sla te diskoso les sukofant. Bodo zou (ging) later nog wraak nemen toen hij het bedrog ontdekte.
(ontdekken en wraak nemen hebben inmiddels plaatsgevonden)
Sla ma bat oes fixtenere mas, ma oes femole. Als ik me niet zou vasthouden, zou ik vallen.
(het vallen is niet gebeurd)
Fallug, lin veer bem suso ke ma ono femole. Klootzak, je wist heel goed dat ik zou (ging) vallen.
(in het verleden was dit de toekomst)
Pera ti oes apokte loekarisest, sla ti oes kepte les hursar. Misschien zouden ze een beloning krijgen, indien ze de dief zouden vangen.
(mogelijk, nog geen feit)
Ti ono apokte loekarisest, sla ti euso keptu les hursar. Ze zouden (gingen) een beloning krijgen, toen ze de dief gevangen hadden.
(in het verleden was dit de toekomst)
Mai oes trauspe oerf, ap mono de mais ito hasta i lesnas kof. We zouden vroeg vertrekken, maar één van ons werd die nacht ziek.
(we zijn dus niet vertrokken)
Mai ono trauspe joex, sla Bolet vrio koschian. We zouden (gingen) net vertrekken, toen Bolet aan kwam rennen.
(en toen zijn we vertrokken)
Les krekio oes fuse los sevonne flars. De kraai zou een schadelijke vogel zijn.
(wordt beweerd maar is geen feit)
Les krekio nok ono ite boeatkumsu de maanus fallesti. De kraai zou nog beschuldigd worden van meer slechtheden.
(de beschuldigingen zijn een feit)
  • Overbodig te zeggen dat oes geen vorm heeft voor de verleden tijd: °oeso komt dus niet voor.
  • Verwar oes niet met het persoonlijk voornaamwoord oes.

naar boven
eaudi

Hulpwerkwoorden
Hestzakojwanti

eusehebbenma eus tropuik heb gebracht
onezullenma on tropeik zal brengen
ono
oes
zou, zouden
zou, zouden
ma ono trope
ma oes trope
ik zou brengen
ik zou brengen
itewordenma it tropuik word gebracht
fusezijnma fus tropuik ben gebracht

De modale hulpwerkwoorden

baschomeniet hoeven tema baschome tropeik hoef niet te brengen
bettemoetenma bette tropeik moet brengen
hasnedurvenma hasne tropeik durf te brengen
povekunnenma pove tropeik kan brengen
salemogenma sale tropeik mag brengen
volewillenma vole tropeik wil brengen

Merk op dat hasne en baschome in het Plattegonisch ook modale hulpwerkwoordn zijn.

Opmerkingen

  • Het hulpwerkwoord van de voltooide tijd is euse hebben, óók waar het Nederlands een vorm van zijn zou gebruiken.
    Eus knosu lini poe les nest?  Zijn jullie door het bed gezakt?
  • bette (…) noere drukt uit: slechts hoeven te, pas hoeven te.
    Lin bette fuse i hem noere tiim sonduo. Je hoeft pas om twaalf uur thuis te zijn.
    Mai bette rache noere trio. We hoeven er maar drie te maken.

naar boven
eaudi

Afwijkende werkwoorden
Vasajian zakojwanti

Het Plattegonisch heeft geen echte onregelmatige werkwoorden; slechts 15 werkwoorden wijken licht af van de rest.
Het zijn:

  • fuse   zijn
  • euse   hebben
  • ite   worden
  • one   zullen
  • oes   'zouden'
  • luse   lezen
  • suse   weten
  • tuse   zwijgen
  • mise   zetten
  • prise   nemen
  • me   doen
  • pe   gaan
  • ste   staan
  • quesse   zeggen
  • loque   spreken

Een overzicht:

ma fus
ik ben
ma fuso/ma fo
ik was
fusu/fu
geweest
fusa
wees maar
fusian
zijnde
ma eus
ik heb
ma euso/ma oo
ik had
eusu/uu
gehad
eusa
heb maar
eusian
hebbende
ma it
ik word
ma ito
ik werd
itu
geworden
ita
word maar
itian
wordende
ma on
ik zal ('ga')
ma ono
ik zou ('ging')
onian
zullende
ma oes
ik zou
ma lus
ik lees
ma luso
ik las
lusu
gelezen
lusa
lees maar
lusian
lezende
ma sus
ik weet
ma suso
ik wist
susu
geweten
susa
weet maar
susian
wetende
ma tus
ik zwijg
ma tuso
ik zweeg
tusu
gezwegen
tusa
zwijg maar
tusian
zwijgende
ma mis
ik zet
ma miso/ma mes
ik zette
misu
gezet
misa
zet maar
misian
zettende
ma pris
ik neem
ma priso/ma pres
ik nam
prisu
genomen
prisa
neem maar
prisian
nemende
ma me
ik doe
ma mo
ik deed
mu
gedaan
ma
doe maar
mian
doende
ma pe
ik ga
ma po
ik gong
pu
gegaan
pa
ga maar
pian
gaande
ma ste
ik sta
ma sto
ik sting
stu
gestaan
sta
sta maar
stian
staande
ma quesse/ma quess
ik zeg
ma quesso/ma quo
ik zei
quessu
gezegd
quessa/qua
zeg maar
quessian
zeggende
ma loque
ik spreek
ma loquo
ik sprak
loqu
gesproken
loqua
spreek maar
loquian
sprekende

Opmerkingen

  • fuse mian + infinitief + t: 'aan het…', 'bezig zijn te…'
    Mai fuso mian zaket lechli. We waren een plekje aan het zoeken.
    Tae fuso mian seket los brott. Hzij was een brood aan het snijden. Hzij was bezig een brood te snijden.
  • nesfuse zich bevinden en escheuse dragen, op het hoofd hebben zijn regelmatig.
  • de 1e en de 3e persoon enkelvoud van quess 'zeg(t)' en quo 'zei' kennen een nog kortere vorm:
    ma quess > quem: 'ik zeg' resp. tae quess > quet 'hzij zegt'
    ma quo > quom: 'ik zei' resp. tae quo > quot: 'hzij zei'.
    Dit zien we vaak in een lopend verhaal.
    'Vole berre lin ats,' mikne quot. — 'Ertsch,' quom.
    'Wil je wat drinken,' zei ze vriendelijk. — 'Graag,' zei ik.
  • qua, moea lin legomale neati? zeg eens, hoe heet jij eigenlijk?
  • dre is een archaïsch woord voor ‘zien’ (nog terug te vinden in drest zicht, blik en dranis ziehier, alsjeblieft); het wordt alleen in oude teksten aangetroffen en wordt vervoegd als me, pe en ste.

naar boven
eaudi