naar de Voorpagina

Joeperoog

Woordenlijst Nederlands-Plattegonisch
Wantilak ennelne-plattegoone

A B C D E F G H I J K L M
N O P Q R S T U V W X IJ Y Z
Platt > Ned
  naar boven
  • Waar de klemtoon niet op de eerste lettergreep valt, wordt deze aangegeven door onderstreping.
  • De ij (van ijgenwijs) komt na de x. De y komt na de ij.

A

aa - ac - ad - af - ak - al - am - an - ap - ar - as - at - au - av - az

a alf
aaien lamme
aan ei aan boord itomer • es de radio, de lamp is aan les ödar, les labra fus es
aanbellen eonte
aanbieden nabidike
aandacht tentoa • (zorg) groze
aandoen eme
aandringen eproesche
aangenaam barga
aanhankelijk sondine
aanhebben (kleding) foneuse
aankondigen bolamze
aankijken ekike
aanmerken omentume
aanmoedigen eluvalie
aannemen eprise
aanplant ekip
aanraken etomme
aanrecht antys
aanstellen, zich zanstele
aanstoten porre
aantal pinkel
aantikken ehippe
aanval ikat • aanvallen ikate
aanwezig dafusne, dafusian
aap baxen
aardappel trelma
aarde ter
aardig ilka
aarzelen dilime
accordéon abisorbantes
ach ai
acht optan
achter moentau • er achter komen daupare • achtergrond fono • achterlaten moentaispare
achterwerk eastend, q
adem udam • ademen udame
ader ypreve
adres dreitim
advies nart
af ave(klaar) kun
afdalen avebrone
afgerond • (getal) gurousu • (vorm) gurogoniane
afgrond doach
afhangen • het hangt af van… cad it fonpeexu de… • het hangt ervan af cad it fonpeexu
afkeuren avejouze • aflossen deaispare
afmeting matest
Afrika Afer
afronden gurouse
afscheid dasp • afscheid nemen daspe
afspelen (muziek) swite • zich afspelen zakoje
afspraak aveloq • afspreken aveloque
afstand kanast
afval broeskar
afwas piata
afwezig nonisne
afwisselen avewontose
afwijken vasaje
afwijzen avejouze
afijn zisch
akelig nark
al (reeds) soon, shoon, schon • allang soonsoon, shoonshoon • ook al schull sla
al, alle toe, tote • allen toei, toti
al te wiel
alarm molara • alarmeren molarale
alf alf
alfabet albeca (spr.:[ albetsa ])
algemeen gluang
alkohol koehel
alleen toemono • (slechts) noere • (echter) ab
allereerste maanmoes monomoes • allerlaatste maanmoes snoenmoes • allerlei aitsch
alles toest, totest • van alles aitsch toest
Alpen Horni
als sla
alsof slayor
alsjeblieft, alstublieft • (verzoek) ertsch • (ziehier) dranis
altaar ilter
altijd toezim, totezim
amen zowist
Amerika Amok • Amerikaan amokar • Amerikaans amokne
ander otter • anders otters • andersom otteroma
andijvie skarola
angst holmst
antwoord soeloq, soequess • antwoorden soeloque, soequesse
apart azunda
appel elma
applaus elpats
april seuand
arend orao
argeloos helkarit
arm (behoeftig) brecho • (ledemaat) men
asfalt asfales • asfalteren asfalese
Atlantische Oceaan Atlinaigann
augustus oogstand
auto blikk • autobus piper
avond aptann
avontuur alazan
Azië Asoe
azijn borekni

B

ba - be - bi - bl - bo - br - bu - bij

b bet
baard bibis
baas pom
bad vez
bah! jich!
bakkebaard jemekbibis
bakken kabe • bakker kabar • bakkerij kabana
bal plota
balcon balgona
balen like
balk bart
banaan drom
band chasta
bang holm
bank • (zitbank) kneba • (geldbank) katumana
bannen banuode
bed nest • uit bed de nest
bedekken ovre
bédelen bederke
bederven boefoesche
bedoelen edonge
bedriegen sukofante
beek ries
beeld vams • beeldmerk langvams • beeldscherm saba, pekosaba
been war • (bot) kost
beer arktos
beet bjoesk
beetje, 'n but
begin sjon, stern • beginsel, uitgangspunt aiinest
begrijpen prande
beha wawa
behaaglijk barga
behalve muf
behandelen • (omgaan met) ele • (genezen) orpabe
behang waskait
beheersen opise
behoefte hebben aan brechole • behoeftig brecho
behoren • (betamen) fette • (behoren tot) ehozje, hozje e
beide toeduo
bekend konu • je komt me bekend voor lin edoare konu e mas
bekennen vorine
beker poka
bekleding fontert
bekijken koeloere
bel • (luchtbel, bol) bub • (klok) torlo • (deurbel) (dran)torlo
belang boelang ; belangrijk boelangne, boelangsei • belangstelling giseritini
belasting tschoemp
beledigen bardine
beleefd fimo
beleid damauz
Belg essanar • België Essana • Belgisch essanane
bellen • (telefoneren) poeheline • (aanbellen) etorle
belofte blovest • beloven blove
benauwd sufoka
bende • (rommel) boroe • (boeven~) katu
bepalen fonpeexe
bereiden kunrache • (voedsel) rioeke
bereiken breike
berg dai
berk berk
bes vatt
beschermen oestate • bescherming oest, oestatest
beschuit bataja
beseffen wike
beslag, in ~ nemen eiembische
beslissen toemose
besluit toemos • besluiten, beslissen toemose
bespreken • (spreken over) fonloque • (reserveren) nazze • (overleggen) borgele
best bemmoes
best wel savoperto
bestaan fufuse
bestellen goside
betalen makse
betekenen tokorope
betoveren boelesume
beuk faach
beurt bervon • aan de beurt ibervon • om de beurt rivobervon
beveiligen vamalose
bevel russel • bevelen russele
beven vabe
bevinden, zich nesfuse
bevrijden eltrache
bewaken rivojane
bewaren wake
bewegen jenese
beweren loge • bewering logest
bewerken borzine
bewonderen edemore
bewust wutai
bewijs tonan • bewijzen tonane
bezem bussum, fegonolo
bezig (doende) mian • (druk) zia
bezoek, bezoeken tizive
bezorgd soesine • bezorgdheid soesi
bi bischan
bidden bede
biet rotepite
bikini vogoro
bil don
biljart majtako
binden bonde
binnen ixi • binnenkomen eivrie
biologisch dia
biscuit, biskwie biskoktum
bitter mara
blaar timm
blaas kustos
blad fol • bladeren folzake • bladzijde foltala
blaffen waffe
blank blankaz • blanke paldar
blaten balare
blauw bloej
blazen blaene
blazoen windet
bleek palda
blik (bus) koet, dal • (ijzer) dal • (zicht) drest
bliksem sixn
blind dam
blinken blinischte
bloed uma
bloeien friole
bloem loebri, lubri
bloemkool loebraska
bloes peloesia
blok koerres
blond blorde
bloot gum
blozen bolzane
blussen bulese
blij freu • blijdschap freuk
blijkbaar eparne • blijken epare
blijven reste
bobbel biga, bolvo • bobbelen bigale
bocht guriz
bodem bosok
boef boem
boek boch
boer tramp
bom bombos
bons bont • bonzen bonte
boog ark
boom bis
boon blof
boor okof
boord, aan- itomer
boos rotsch
boot tomer
bord bam
boren okofe
borrel bran
borst baf
borstel furts
borstwering bafoest
bos boes, walt, loo • (bundel) demet • bosjes boesili
bot (been) kost
boter borro • boterbloem prusku • boterham brotam
bouwen urtse
boven audi • bovenop esche
boxershort pyrbro
braam rubus
branden bage • brandnetel bagrasam • brandweer buleska
breed lariko
breien trikke
brein • (hersenen) zain • (persoon) uuterufar
breken spaze
brengen trope
brief kirje
briesen miffile
Brit blesarooar • Brits blesaroone
broccoli broska
broeden besoene
broek braki • korte broek kiliti • jong broekie bonazi
broer bras • (broer/zus) nast
brok spuus
brommer jempo
bron aiin
brood brott
browser folzakolo
brug tomp
bruin braus
bruisen broese
brullen broike
brutaal tennit
bui daleg
buigen boische
buik von
buis pyrba
buizerd buus
bukken bappe
buks knallpyrba
bult bolvo, biga
bundel demet • bundelen demete
bungelen loekele, widjewe
bunzing ulk
bus (blik) dal • (doos) koet • (autobus) piper
buskruit kanios
buur napoer
bij • (voorz.) da • de bij les kaaz
bijlage datapest
bijna daner
bijten bjoeske
bijzonder uutejarki • bijzonderheid uutejarkist

C

c ca [ tsa ]
cake saarkukk
camping kampong
cd codis, kodis
cel gor
cement kaimento
cent duit
centimeter cemet
champagne kampania
chloor chinim
circulatie komeata
cirkel zero • cirkelen zerole
citroen tosonure
clown klonk
club monolest
collecteren tumizjemle
collega robalifta
computer peko
conserven wetski • conserveren wetske
continent fixter
corduroy bremlurr
creëren quafe
crème maze
cursus kalarnest
cijfer sara

D

da - de - di - do - dr - du - dw - dij

d del
daad mest
daar nas • (omdat) case, kase
daarna nercad, nerkat
daarom gincad, ginkat
dag yes
dak katto
dal kom
dalen brone
dame donka
damp krauz
dan (bijw.)zimnas, zimnas • (in dat geval) zem • groter dan gakus sla • niets dan rommel bats muf boroe • het resultaat is dan ook verbazend les polop fus danok migirjan • nou dan! stoe!
dank naj • dankzij ples
dans balts
darm slorp
dat • (aanw.vnw bijvoeglijk) lesnas, lesnas • (zelfst.) cadnas, cadnas, katnas, katnas • (betr.vnw.) di • (voegw.) ke
datum yespinkel
dauw dioe
daveren debate
de les
december vatiand
deeg zumari
deel parr
Deen danar • Deens danne
deftig zaps
deinen auche
dek (schip) ferium
deken kroto
dekking (zoeken) (zake) dakina
delen parre
den pin
Denemarken Dan
denken rufe
denneboom pin
depressie pidivo • depressief pidivone
derde triomoes • éénderde tschonst, trioparr
dertig miduk
deur dran
deurklink elo
deze lesnis, lesnis
diamant zowele
dicht (gesloten) kloe • (vast, kompakt) discht
dichtbij dada
dichtdoen kloede
dichter poemar
dichtstoppen brewe
die • (aanw.vnw) lesnas, lesnas • (betr.vnw.) di
dienen zware
diep dest
dier ron
dik daf
ding tenk
dinsdag tenkyes
direkt bodar
distributie zerotropest, uutetropest
dit • (bijv.) lesnis, lesnis • (zelfst.) cadnis, cadnis, katnis, katnis
dochter pra
doden dode
doei alloheur
doek drum • (toneel) perde
doel dong • doelpunt dongtomm
doen me • iets ergens in doen mise ats ei ats • 't doen, funktioneren doene
dof dalch
dom stull
domineren opise
dommelen joechle
donder tordom • donderdag tordomyes • donderen tordome
donker skoer
doof her
dooi boin
dood moer • de dood les moer
door (doorheen) poe • (d.m.v.) cir, sir • (bij lijdende vorm) de, cir, sir
doordat cirke, sirke
dóórdringen poeproesche
doorn norde
doorweekt poeveikru
doos koet
dorp moende
dorst zilts
douche broes
draad dracena, drasena
draaien gurize
dragen koebale • (kleren) foneuse
drassig prazne
dreigen daugre
Drent treantar • Drenthe Pago Treant • Drents treantne, treantene
dreun komko • dreunen komke
drie trio • drieling triomida
driftig duuplone
drilboor schakokof
dringen proesche
drinken berre
dronken soel
droog koef
droom drem
druif zoenoe
druipen boede
druk (bezig) zia • (pressie, gewicht) essark • drukken essarke
drum trukk
druppel boet • druppelen boetle
drijven lepe • (opdrijven) troibe
dubbel duomal
dubbeltje dupp
duidelijk klana
duik gavi • duiken gavie • (ineenduiken) tunke
duim fump
Duits deutzne • Duitser deutzar • Duitsland Deutz
duivel zabulas
duizend bin
dukdalf merpal
dun tuun
duren dauke
durven hasne
dus thus, tus
dutten joechle
duur kribos • (tijdsspanne) dauk
duw essark
dwalen fundine
dwars trari
dweil twagila • dweilen twagilale
dwingen darse
dij, dijbeen emajo
dijk kizo

E

ed - ee - ef - ei - ek - el - em - en - er - es - et - eu - ev - ex - ez

e eps
echt verne • de echt les konjoeg
echter ab, ap
echtgenoot m/v konjoegar
edel lune
een (lidw.) los • (telw.) mono • een zeker, een bepaald quidam • een of ander at
eend anas
eenheid monost
eenmaal monomale • nu eenmaal wentekro
eens (een keer) male, mono male • (ooit) eit • ga eens zitten pa doe dosse • het eens worden ite torino • het eens zijn fuse torino
eenzaam monoram
eergisteren bosoeyesnas
eerlijk aizo
eerst, eerste (telw.) monomoes • eerst, als eerste, ten eerste (bijw.) imonomoes, monomoeses
eeuw jaas • eeuwig tarne
effekt polop, happax • effekt hebben happaxe
ei voo
eigen egan • eigenlijk neati • eigenschap eganest
eik batam
eiland oo
eind(e) tschies, tschiës, tschiyes • (afstand) kanast
eindelijk utschi
eis embisch • eisen embische
eiwit, proteïne pitet
ekster protas
elastiek rekk
elektriciteit tschien
elk strade • in elk geval moezjos
elkaar flisi • elkaars flisin • in elkaar zetten mise eimonost • hoe zit dit in elkaar moea cadnis fus misu eimonost • in elkaar slaan totesabe
elleboog hamvik
els alnus
e-mail peetat
emmer koebas
en et • èn ac
engel anglo
enige (weinige, sommige) but, sammek • (de enige) monone
enigszins wine
enkel (gewricht) hargam • (alleen, slechts) toemono, noere, monones
enkele but
enquete anketa
enz. etf. • enzo ettat • enzovoort et tat forus
erf piha
erg (heel, zeer) veer • (akelig) nark
ergens iye
ergeren malaje
ernst sarois • ernstig saroisne
eruitzien edoare
ervaren pertse • een ervaren reiziger los pertsu tressar
erven orvene
erwt orobos
Esperanto neumoresnetne
etage mek
eten (ww) ede • het eten les edest
euro, € mammon
Europa Aroma • Europeaan aromar • Europees aromane
even (kort) ef • (getal) duoparrne
evenwel ab, ap
evenwicht loja
evenwijdig glikop
examen trora
exkuus igirtschan
expres (met opzet) hampap
extra efota, streak
ezel ersot

F

fa - fe - fi - fl - fo - fr - fu - fij

f fi
fabriek laboeradeg
fakkel osko
familie pelomoa
fanatiek farozi
fantaseren persete • fantasie perset
februari kri
feest joel
fel mif
fiets polke • fietsen polke • fietspad polketras
figuur pokoenhij is een vreemd figuur te fus los stran moto
filosoferen fizelefihe • filosofie fizelefi
filter bade • filteren bade
Fin eskolanar • Finland Eskolana • Fins eskolanane
fitis schilwa
fladderen plarre
flat • (etagewoning) pamas • (gebouw) stekhus
fles jox
flikker ax
flink fabra
flitsen fritse
flodder ploera
floepen pluppe
fluisteren flustre
fluiten fjafe
foefje astuus
fonds fortsa
foto brom
fout guve • de fout les guvest
framboos montida
Frankrijk Gallekter • Fransman gallekterar • Frans gallekterne
fris faf
fruit pwnws, kakarp
frunniken floeste
funktioneren doene
fijn (aangenaam) barga • (klein) frel

G

ga - ge - gi - gl - go - gr - gu

g gam
gaaf jeve
gaai vlaai
gaan pe, valde • weggaan trauspe • gaan staan, gaan zitten enz. pe ste, pe dosse etf. • gaan om: het gaat om de waarheid cad iduutsche les vernest • gaan over: het gaat over een man die… cad topike rivo los pam di…
gaar garik
galmen gejone
gammel kellam
gang (loop) pest, valdest • (doorgang, vertrek, corridor) valst, andron • gangboord talavalst
gas ket
gast stach
gat troe • (achterwerk) q
gauw (spoedig) dipar • (snel) rapp
gebaar hos gebaren • hose
gebed bedest
gebeente kakost
gebergte kadai
gebeuren zakoje, zakje • gebeurtenis zakoj, zakojest, zakjest
gebied (terrein) oblast, landstreekk landouwe
gebieden felsolite • gebiedende wijs felsotzim • gebod felsot
geboorte skenst • geboorteland skenter • geboren worden skene
gebruik tosak • gebruiken tosake
gedachte raft
gedicht poem
gedoe kamest
gedragen, zich gidoeke
geduld pastif
geeft niet djenne bat
geel saar
geelgors yrimoa
geen bat, bat los
geenszins batoea
geest nim
geeuwen gischoze
geheel (gans) toe, tote • (zeer) veer
geheim gaj
gek gap
gel smik
gelaagd meku
geld katum, tumi
gelden golde
gelei smik
geleiden (sturen) roere
geloof crul, krul • geloven crule, krule
geluid mumm
geluk tschilef • gelukkig (tot mijn geluk) tschilefne • gelukkig zijn fuse itschilef
gelijk fles, flesne • ik had gelijk ma euso rett
gemakkelijk kolo
gember genisch
gemiddeld sichirai • het gemiddelde les sichiraist
genezen (beter worden & beter maken) wessane
genieten nide
genoeg sifoesoud genoeg sifoes vanach • er genoeg van hebben tchepe (de)
-genoot -ifta
geprikkeld pikku
geraamte kakost
gerecht (schotel) metsum
gereed kun
gereedschap rabetisuch
geschiedenis hirad
gesteente kasak
gestreept repoisu
getal pinkel
getverderrie kasban
geur melt • geuren melte
gevaar kolder
geval (ding) tenk • (zaak) zache • (toeval) dozarra • in elk geval moezjos • in dat geval zem
gevangene keptu • gevangenis keptana
geven tape • geeft niet djenne bat
gevoel sent
gewaad austo
geweer knallolo
geweldig swiid
gewelf werole
gewest landouwe, fuulke
gewoon jarki • gewoonlijk jarkis
gewricht ilisos
gezellig dammok
gezicht (gelaat) paga • (aanblik) drest
gezond zovar
gids djoek
gierig motisa
gieten koase
gif graff
gil temih • gillen temihe
gisteren soeyesnas
glad telch
glans kemerd • glanzen kemerde
glas krak
gletsjer bre
glibberen telchre • glibberig telcher
glimlachen naure
glimmen kronne
glinsteren globuse
glippen pluppe
gloed arda • gloeien arde
gluren pipite
glijden telche
god djo
goed bem
goedkoop takos
goedmaken soebeme
goeiedag moi
gok sektol • gokken sektole
golf valee
golven valeehe
gonzen ooze
gooien richne
goot gastor
gordijn perde
goud aurum
graad batmos
graag ertsch
graan berne
gracht grekoes
graf frot
grammatika kramaere
grap lokus
gras crus, krus
graven froete
grens greox
greppel juuts
Griek hellasar • Griekenland Hellas • Grieks hellasne
griezelen kirche • griezelig kirchne
grind knors
grinniken brojse
groeien kreske
groen kronis
groente kronst
groep purch
groeten chaire
grommen groembe
grond gromp
groot gak • grote lijster letare
Groot-Brittannië Blesaroo • Brit blesarooar • Brits blesaroone
grootouders jeuti
grijpen krepte
grijs harma
gul elttapne
gulp denef
gum kami

H

ha - he - hi - ho - hu - hij

h hee
haak stenjo
haan ilpo
haar (znw.) skopf, tese • (pers.vnw.) tas • (bez.vnw.) tan
haast ziat • (bijna) daner • haast hebben euse ziat • haasten, zich dipare, ziate • haastig ziatne
haat kecht
hagel, hagelen, het hagelt, het hagelde hokaj
hagelslag kwetak
haken stenjole
hakken kappe
hal chol
halen hake
half dwon
hallo moi
hals haf
hamer gelt
hand eluit de hand lopen klakivetse
handelen • (doen) menne • (kopen/verkopen) komveile
handig erzok • handschoen kesne • handvat elo
hangen (ov. en onov.) loeke • hangslot arkkloedolo
hapje hatsekidee
hard dar
hark tark
hart ker
hartig toezam
haten kechte
haven hawes
haver avenum • havermout avenoeme
havik ostor
hé, hè aeh, æh, äh
hèhè fuufuu
hebben euse
heel (zeer) veer • (geheel, al) toe, tote
heen (weg) traus • daarheen e nas • heen en weer trausetsoe
heer donko • de HEERE Moenimod
heerlijk trepe
hees harisa
heet aas
heffen leze
heftig farozi
heg ak
heggemus quia
heide broet
heilig alomok
heimwee hitalnos
hek hepp
helaas zundes
held henser
helder abelli
helft dwonst
helikopter zeroflep
hellen pentsche • helling pentschest
helpen heste • (werken, effekt hebben) happaxe
hem tes
hemd fanela
hemel (hiernamaals; goddelijke woonplaats) exaudi • (gewelf) kailo • hemels tsoil
hen (kip) ilpa • (pers.vnw.) tis
hendel elo
hengst partalio
hennep kambis
her- pos-, soe-
herder poimen
herfst dipzim
herinneren, zich soesuse
hersenen zain
herstellen (goedmaken, repareren) soebeme, soebemuse • (genezen) wessane
hert damma
het (lidw.) les • (pers.vnw, onbep vnw.) cad, kat
heten legomale
hetero hima
heup chens
hier nis
hinderen djenne • hindert niet djenne bat
hinniken hechenke
hobbel higa • hobbelen higale
hobby harena
hoe moea, moewa • hoe dan ook moezjos
hoed ukap
hoef pata
hoek gonia
hoen ilp
hoera joepi
hoesten uche
hoeveel moeamaan • hoeveelheid maanst
hoeven • niet ~ te baschome • we hoeven pas om twee uur thuis te zijn mai bette fuse noere ihem tiem duo
hoewel ajam
hok ich
hol (gat) troe • (grot) hoska
hollen kosche
homo koko
hond arf
honderd bliksem
honger peina
honing kefali
hoofd yespont • hoofdstuk hofstukk
hoog gan• hooggebergte kagandai • hoogstens, hooguit maanmoesten • hoogzwanger zwardon ient les haf
hoop hade • (stapel) stek
hoor triz
hop! penn!
hopen hade
horen trize
horizontaal inodirisem
horloge zimsat
houden tenere
hout knok
houwen dolabre
hozen klaje
huid fam
huilen jorpe
huis hus • (thuis) hem
huisgenoot husifta
hulp hest
humeur zigo
hun tintir
hup penn
huren hure
hurken njarbe
hut nabak
huwelijk konjoegest
hij te
hijgen habe

I

i iet
idee itau
ieder(e) strade • in ieder geval moezjos • iedereen stradar
iemand atar
Ier ginnesar • Ierland Ginnes • Iers ginnesne
iets • ats • (een beetje, enigszins) but
ij zie  ij 
ik ma
immers mim
in i • (binnenin) ixi
indenken eirufe
inderdaad evitek
indruk eneur
informeren kontape • (vragen) konmande, mande
ingang eivalst, eist
inkt koin
inlichten kontape
innerlijk ixine • het innerlijk les ixinest
inspiratie eifluster
instorten eifemole
integendeel ioestparr
intellectueel intirlekkuel
interessant giseritinine
internet janaswanga
intussen ineices, ineises
invloed oemanto
invullen eiseie
inwijden eizogre
inzetten, zich (voor) mise spolai (e / nede)
Israel Abrahamana • Israeliër abrahamanar • Israelisch abrahamanane
Italiaans aleitine • Italianië Aleiti • Italianiër aleitiar
ivoor eburema

J

j jot
ja ro • jawel tokro • ja knikken kapse
jaar oor
jacht wekst
jagen weke
jaloers joleron
jam dwal
jammer sunt
januari gang
Japan Janipongo • Japanner janipongoar • Japans janipongone
jas wet
je lin; lis; (men) oe
jeuk gjes
joh baj
jong gent • het jong les gen • jong broekie bonazi
jongen erenos, slecì [ slɛʃ ]
jou, jouw lis
jubelen jomane
juffrouw woeplei
juichen jaache
juist joex
juli hauwjahs
jullie lini; linin; linis
juni samahs
jurk juup
jij lin

K

ka - ke - ki - kl - kn - ko - kr - ku - kw - kij

k kap
kaal kalamo
kaart chartes
kaas joest
kaatsen geste
kachel moschari
kakelen klokke
kalender madiwodo
kam tark
kamer oda, stimp
kamp proeak • kamperen kampongole
kan obba
kaneel balwt
kano kanoa
kans kref
kant (zijde) tala • kantelen talanke
kantoor griffana
kapot galamen, moll
kar ven
karbonade tolkot
karekiet tschinitschek
karnemelk laban
karton naselje
kast crast, krast
kastanje kazu
kasteel slott
kat maus
katapult rekknallolo
katoen gosipi
kauwen boteze
keel gortsch
keer male • drie keer trio mali
kelder kelede
kelt ceiltigh
kennen kone • kennis konsteen kennis los konu • kenmerk konlang
kerk kuriakon • kerkuil tibbe
kermen garriome
kermis kafgan
kerven korve
ketenen kaskihe
ketjap doelap
ketting kaski
keuken xina
keus lekt
kever torr
kier dofen
kiezen lekte
kilo duo puunjoni • kilometer kimet
kin fem
kind fan • (nakomeling) gen
kip ilpa
kist koet
klaar kun
klacht kloegest
klad sklok • kladblok sklokboch
klagen kloege
klank mumm
klant kimen
klap pats, bams • klapdeur djewdran • klappen patse • (applaudisseren) elpatse
klas • (groep) vangpurch • (lokaal) vangpurchana • (klasse) sokla
klateren klatre
kledderig smikne
kleden terte • kleding; kledingstuk tert
klef kloni
klei lutum
klein gers, wi • kleindochter genpra • kleinkind gengen • kleinzoon genpro
klem (een klem) los tschipinolo • ik zit klem ma fus itschipin • klemmen tschipine
kletteren kletsche
klikken (computer) klake
klimaat ka-amzer
klimmen skende
klinken mumme
klodder kalk
klok (bel) torlo • (uurwerk) zimsat
klont kipkel
klootzak fallug
kloppen kopotteklopt! fus joex!
klotsen plaude
klub monolest
knabbelen botesse
knagen rode
knal bams
knarsen, knersen grante
kneden somme
knetteren tekarke
knie herido • knielen heridole
knikken (ja ~) kapse
knippen nakke
knipperen nakkre
knobbel knozzo
knoeien foesche
knoflook kem
knoop (aan kleding) knos • (in touw) gordo
knop knos
knots, knuppel koll
knijpen tschipine
koe meu
koek kowek
koekepan kukktopp
koel guum • koelruimte oloena
koffie koufas, koefas [ 'kufɑs ], schott • koffie-automaat koufasschine, koefasschine
kogel runne
koken (op het kookpunt zijn) kioerle • (bereiden) rioeke
kokhalzen koekosove
kollega robalifta
kollekteren tumizjemle
kom op! dolak!
komen vrie [ 'vriə ] • er achter komen daupare • dat komt van de kou cadnas ure de les oloest
komkommer kukumis
kommer soesi
kompakt discht
kompas barrsatolo
kompleet vurst
kompliment lefdoi
komputer peko
koning gorm • koningin garm
konserven wetski • konserveren wetske
kont q, eastend
kontakt ligest
kontinent fixter
konijn loeskoen
kool ibraska
koor vegles
kop • (hoofd) yespont • (beker) gimkopje koffie gimli koufas
kopen kompre
kopie imita • kopiëren imitale
koren berne
korrelatieven koeklokaswanti
kort kert • korte broek kiliti
kost, in de ~ zijn bij hemme iodra da
kosten • (ww.) konstare • (znw.) konstarest
kostganger odrar
kostuum • (pak) juftert • (toneel, film) siramtert
koud oloe
kous ganschtoed
kozijn emposta
kraag kondom
kraai krekio
kraaien (haan) ukuke
kraan kaboeri, tapp
krabben gratte
kracht kschaste
kraken garjate
kramp umibi
krant kremp
krassen krine
krat koet
krekel pripri
kreunen gloume
kribbig pikku
krom koervo
kronkelen wigurize
kruid boker
kruipen quisbre, kwisbre
kruis crut, krut, gunto
krul harber • krullen harbere
krijgen apokte • krijg nou wat! matta gelti!
kudde purch
kuil boeka
kuit guos
kultuur kullerei
kunnen pove
kunst knust
kurk plop
kursus kalarnest
kus song • kussen songe
kussen (peluw) pelu • kussensloop pelumonog
kut pitsch
kwaad • (boos) rotsch • (slecht) keut • kwaad doen, schaden kwede
kwaken chape
kwart kwonst, kwartetparr • kwartier kwiem • kwartje kwaddi
kwarts kwyts
kwast braffolo • (borstel) furts
kwijl kuuz • kwijlen kuuze
kijken kike, loere, koeloere

L

la - le - li - lo - lu - lij

l (letter) lam
la (lade) lepwo
laag stak • de laag les mek
laan lentsche
laars tugge
laat snoen
lachen hahe • (glimlachen) naure
ladder drabina
lade lepwo
laden scharke • lading schark
lak likop • lakken likope
laken melip, megar
lam (verlamd) hellem
lamp labra
land • (aarde) ter • (staat) terana •  aan land eter, iter
landschap terfonst
landstreek landouwe
lang lengal • het was nog lang niet donker cad fuso nok daukum bat skoer
langs loeng
langwerpig lengaltrang
langzaam lengram
lap zal
last hebben van refaste • ik heb last van stijve spieren ma refaste igri sippi
lat slatta
laten • (nalaten, toelaten) aispare • (doen) me • ik laat je flink betalen ma me lis makse veer • laten we gaan valda mai • laat dat! aispare cadnas! • laat maar zisch • iets laten zitten aispare ats
laurier lowoti
lauw tiz
lavendel denvala
lawaai troez
leeg box
leggen makke
lei, leisteen miasto
leiden mauze
lek largo • het lek les largo • lekken largole
lekker nostimo • ik heb lekker gelijk ma pych eus rett
lelijk lirsk
lenen • (aan) eproente • (van) deproente
lenig lejer
lente pril
leren • (aan) edoje • (van) delarne
les larnest
letter gramm
lettergreep wit
leugen logno
leuk maaz
leunen gopanise
leven jaje • het leven les jaj
leverancier etropar; etropio • leveren etrope
lezen luse
licht ziefne (ook van gewicht) • het licht les zief
lid limer • lidwoord arto
lied lidena
lief lufne • m'n lief man luf • 't liefst ertschmoes • liefde luf • liefhebben lufe
liegen logne
lift heisa
liggen mokke
likken labe, laje
limonade panazol
link (schakel) santi
linker skione • links skio • linksaf eskio
lip pelto
liter kudec, kudek [ 'kydɛk ], meerv. kudeci, kudesi [ 'kydɛsi ]
loensen paite
loeren pipite
log lochan
logeren stachhemme
logo langvams
lokomotief draxolo
lomp lochan
lont loj
lood lompo
loon loekaris
loop (gang) pest, valdest, valst • loopplank pebroeg
lopen isbre
los brakel
losmaken brakele
loven ujale
lucht er • (hemel) kailo
luchtbel bub
lui sloe
luid quan
luiden onte
luieren sloeie
luisteren lustre
lukken ludoke
lul wimp
lus lischa
luw ly
Luxemburg Moi • Luxemburger moiar • Luxemburgs moine
lijden lede
lijf lief
lijken • (schijnen) simile • (lijken op) edoare sla • dit lijkt wel goud cadnis doe simile aurum • je lijkt op Asterix lin edoare sla Asterix
lijn elia
lijst • (opsomming) lak • (omlijsting) fontalast
lijster • (grote ~) letare • (zanglijster) redjina
lijsterbes roban

M

ma - me - mi - mo - mu - mij

m mem
maag komasto
maaien meane
maal (keer) male • tien maal son mali
maaltijd daps, edest, edezim
maan loen • volle maan seiloen
maand loent
maandag loenyes
maanzaad rinn
maar • (echter) ab, ap • (slechts) noere • maar ja ab zisch • kom maar vrie doe • wat ook maar matta aitsch • welke ook maar melka aitsch • laat maar zisch • vooruit maar bem zisch
maart dirgand
maat (afmeting) matest
machine schine
macht maf
madeliefje bellis
maken rache • te maken hebben met zacheuse tam
makkelijk kolo
malen malente
man pam • man! kriez!, baj!
manier bauda • op één of andere manier atoea
mantel klohak
map matarra
marcheren machtare
margarine knuvo
marmer karrara
mars machtar
masker mom
massa (menigte) schare
masseren somme
mast mazdos
materie seluutsch
matras stromat
matroos musel
mee tam
meedoen tamme
meegaan tampe
meegeven tamtape • (veren, wijken) miverese
meemaken pertse
meel manana
meer maanus • het meer les scheu • meerdere maanusne
meerkoet traka
meervoud ist, maanmalest
mees orupa
meest maanmoes • meestal maanmoeses
meester majos
meeuw dorela
meevallen tamlafe
mei blehs [ blɛːs ]
meid nosa
meisje nosa
mejuffrouw woeplei
melden lamze
melk bainne • melken molke
men oe
menen (van mening zijn) ulappe, lappe • (denken, in de veronderstelling zijn) rufe • (het ernstig menen) saroise
mengen mikte • mengsel mukt
menigte schare
mening lappest
mens ar
menu lektelak
merel cerrja, serrja
merken lange
merrie partalia
mes nief
met tam • meteen heti
meten mate
meter momet
metro nedegrompio
metselen metse
meubel hoesgan
middag aitra, sichiryes
middel (hulpmiddel) olo, hestolo • (lichaam) sichir
midden sichir
middernacht sichirkof
mild milki
milieu fonst
miljard bonnebonne
miljoen binbin
millimeter mimet
min (minus) na
minister kloun • ministerie klounest
minstens erdimoeses
minus na
minuut nude
mis- pioes-
mis notomm • (kerk) eleison
misbruik pioestosak
misschien pera
missen (ontberen) robe • niet raken, niet halen omse • de trein missen omse les joen
mist wisch
mix mukt
mobieltje motel
modder tuk
model (standaard) soroes
moe lei
moed luvali
moeder molde • moedervlek naive
moeilijk zor
moeras doed
moes atriko
moeten bette
mogelijk alba
mogen saleik mag graag… ma bemsale… • ik mag je graag ma bemsale lis
molen malentolo
mompelen moerme
mond schabe
mooi ahob
moord lonz • moorden lonze
mopperen mogome
morgen yesnas • (ochtend) gastoe
morsen nilte
mos mos
motor jenesolo
motregen pizel
mouw koempoe
muesli skoefoes
mug koel
munt tum
mus graspor
muts mauster
muur kienst
muziek moezka
mijnheer mandonki

N

na - ne - ni - no - nu - nij

n nu
na ner
naad rez
naaien reze
naakt ugim
naald rundu
naam name
naamval dostrei
naar (naar…toe) e • (akelig) nark
naast nermoes
nabij dada • nabijheid dast, dadast
nacht kof • 's nachts ikof
naderen daxuse
nagaan nerpe
nagel inum
nagerecht suus, bellaria
nakomeling gen
nalaten aispare
namelijk dimel
namiddag aitra
nat zja
natuur prasar
natuurlijk • (volgens de natuur) prasarne • (tuurlijk) doses
navel nover
nauw trang
Nederland Ennel • Nederlander ennelar • Nederlands ennelne
nee bat, ba • nee schudden bakapse • nee maar! wiad!
neef • (volle neef) abaso • (oomzegger) hanicho
neer enede • op en neer eschenede • neerslachtig pedevone
negatief (getal; foto) nedeeros, nederos
negen onan • negentig oettuk
negeren gininore
nek rech
nemen prise
nep raff
nergens toebalech
nest nest
net, netjes juf
neuken boppe
neus broen
nevel nefele
nicht • (volle nicht) abasa • (oomzegster) hanicha
niemand batar
niet bat • niet hoeven te batschome, baschome
niets bats • je hebt er niets aan oe eus eros nilva de cad
nieuw taas
nieuwsgierig susvolne, taasvolne
niezen hatsche
noch ossiba
nodig nautine • nodig hebben eschome
noemen name
nog nok
nogal savoperto, tempin
nooit beit
noord, noorden barr • noordelijk barrne
Noorwegen Norba • Noor norbar • Noors norbane
Noordzee Barrschas
noot • (vrucht) noex • (muziek) neum
nou zimnis, zimnis • nou,… rosch,… • nou dan! stoe! • nou ja! zisch! • nou eenmaal wentekro
november slahs
nu zimnis, zimnis, din • (welnu) bem zisch, rosch • nu en dan zimnis zimnas • nu eenmaal wentekro
nul eros
nummer numenio
nut nilva • nutteloos nilveppe, endornilvane
Nijmegen Apas

O

oc - oe - of - ok - ol - om - on - oo - op - or - ou - ov

o • (letter) om • (uitroep) ho
oceaan aigann
och oi
ochtend gastoe
oefenen hupame, hupare
oeps! kamm!
oever nukus
of or
offer sunne
officieel hippotwam
oktober voinohs
olie lada
olifant barrus
olijf ulabiris
om • (omheen) fon • (wegens) gin • (teneinde) e • om te kijken e kike(t) • de boom valt om les bis femole (toefemole)
oma jati
omarmen fonprise
omdat case, kase
omdraaien toegurize
omgeving fonst
omhelzen fonprise, hisse
omkijken soekike
omloop (circulatie) komeata
omvallen (toe)femole
on- no-
onbehaaglijk nobarga
ondanks ajam
onder nede
onderbroek obro
ondersteboven nedestaudi
ondertussen ineices
ondervragen uutemande
onderweg itras
onderwerp topikus
onderwijzen edoje
onderzoek izak • onderzoeken izake
ongeluk agemen • per ongeluk pragemen
ongeveer sarki
onherbergzaam sabri
onherstelbaar nosoebemoemoe
onkruid jorbok
onrecht nonaxten onrechte inonax
ontdaan (ontzet) dagimeo
ontdekken diskose
ontelbaar pinkeleppe
onterecht inonax
ontevreden noimisch
onthouden wasone
onthullen emgale • onthulling emgalai
ontmoeten endorbette
ontploffen peswote
ontsnappen skape
ontspannen naudoke
ontstaan ure
ontwikkeling itevaldest
ontzet (ontdaan) dagimeo
onverschillig batscheloemoe
onzin satsch
oog ois
ooievaar eiber
ooit eit
ook ossi • wat ook maar matta aitsch • hoe goed ook moea bem aitsch • hoe dan ook moezjos • het resultaat is dan ook verbazend les polop fus danok migirjan • ook al schull sla
oom dajo
oor koelak
oordelen oegoeje
oorlog ovas, kakris
oorzaak azuk
oost tua • oostelijk tuane • het oosten les tua
Oostenrijk Linzana • Oostenrijker linzanar • Oostenrijks linzanane
op i • (bovenop) esche • op en neer eschenede • op tijd joexim • het eten is op les edest fus traus/trausedu • het geld is op les tumi fus traus/traustosaku
opa joti
opdat eschke
opeisen eiembische
open opera
openbaar operato • openbaarheid operatost • openbaren emgale • openbaring emgalai
openen operale • opener operlo • opening operast
opeten trausede
opgelucht endorholmu
opgraven uutefroete
ophouden (met iets) tschiëse (ats)
opkijken aukike
opletten oepse
oplossen ilekschene
opluchting endorholmst
opmerken lange
opnieuw posso
oppervlak, oppervlakte eschepatitost
oprapen gruufe
opruimen klouse, hifnoele
opscheppen • (opsnijden) snakke • (serveren) seilivesche
opschieten tschopse
opsluiten ixikloede
opspringen stutte
opstand zoelef
optreden (ww.) ipoiche (znw.) ipoichet
opvallen frepoleke
opvoeden dragelse
opvolgen hospune • opvolger hospunar
opwinden eskite
opzet, met - hampap
oranje ranja
organisatie ikoetitsni • organiseren ikoetitsne
oud vanach
ouders roini
ouderwets wistreham
ouwehoeren wanawide
oven pikarnik
over rivo
overal alom, toelech
overall rivotoe
overdag iyes
overdenken fonrufe
overgeven spjange • zich ~ kaple
overhemd rivofan
overig rivone • overigens rivowes
overkant rivotala
overleggen (bespreken) borgele
overmorgen rivoyesnas
overplaatsen rivoleche
oversteken rivotrare
overvloed rivomaanest • overvloedig rivomaan
overweg buu

P

pa - pe - pi - pl - po - pr - ps - pu - pij - py

p pi
paal pee
paar • (tweetal) duosteen paar, enkele but, los erdi
paard partali
paardebloem paral
paars palbi
pad (weg) sti • (vors) boef
pak (verpakking) pakoeng • (kostuum) juftert
pakhuis wakana
pakken (nemen) prise • (inpakken) (ei)pakoenge
paleis pareis
palm pergain
pan topp
pannekoek toppkukk
pantoffel toemoefka
pap katsch
papegaai perruschum
papier kait
paprika nuuma
parachute femoloest
parallel glikop
parel pratt
park prak, prakk
parkiet tokiri
Parijs Parispea
pas (stap) quek • (paspoort, pasje) pepoe • (slechts) noere • (onlangs) kert soepas vorige week noere rivolo hafta • we zijn nog maar pas begonnen mai noere sterno de kert
pasen pavi
passen fette
pauze feuda
peddel lidap • peddelen lidape
peen daukis
peer kwiez
pees pilitsa
pek keperte
penis wimp
per ongeluk pragemen
perron joka
persen pastaze
pet fas
peuteren floeste
pienter zeiki
piepen pinire
pier pir
pil peg
pilaar piter
pin tostif
pinda panapo, baxennoex
pink pantak
pinksterbloem tempranem
pinnen drembe
pissebed oniskidea
pissen sine
pizza pitta
plaag poschoe
plaat stanit
plaats lech, ana
plaatsen mise
plafond zatto
plagen poschwe
plak prell
plakken stepsche
plan pjan • van plan zijn (om) euse pjan (e)
planeet femes
plank broeg
plant poa
planten kipe
plas (van vloeistof) plesk • (meer) scheu • een plas doen me los sin; sine
plassen sine
plastic plano
plat patito
plein plasenn
plek lech, ana
plenzen klimzje
plezier fradole
plicht bettest
plint betune
ploeg(schaar) pila • ploegen pilaje
plonzen kloemzje
plotseling peswa
plukken tekke
plunderen babroenge
plus ac, ak
poeder pulvis
poel kloez
poep mers
poetsen (wrijven) fratte • (schoonmaken) temse
Polen Sjtsjts • Pool sjtsjtsar • Pools sjtsjtsne
politie garda
politiek • (de politiek) rytschin • (bnw) rytschinne
pols pelo
pomp mosik • pompen mosike
pond puunjon
poort godepor
pop mukk
porie lektoer
portaal dranode
poseren pudale
post • (brieven) patat • (deurstijl) emposta
pot fiss
poten kipe
potlood quit
precies fantotprecies! juist! joex!
prei porm
prettig barga
priester pachunos
prikkelen peppre(tintelen) tikle
prikken pikke
prins prientso • prinses prientsa
proberen prosesse
proefwerk trora
proeven poemiste
programma finikelle
proppen pischte
proteïne pitet
provincie fuulke
pruim poestinik
prutsen floeste
prijs (trofee) trofehe • (handel) perdeze
prijzen (loven) ujale
psalm sela
puber doleska
pudding dimmo
puin pinasch
punt (top) pits • (stip) stifos • (score) tonn
pup fil
put poet
puzzel werre
pijl enau, lients
pijn dolor
pijp pyrba
pyjama fowele

Q

q qoe

R

ra - re - ri - ro - ru - rij

r resch
raad • (advies) nart • (vergadering) poradit
raam jaloka
raar stran
raden gisse
radio ödar, eudar
rafel rengoz • rafelen rengoze
rail nom
raken tomme
raket ketest
rammelen klekebrale
rand tala
rank (tak) schebran
rapen gruufe
rapport (cijferlijst) saralak
rat tora
reageerbuis kemisikrak
reageren rambe • reaktie rambest
recept koetelotte
recht rett, isi • het recht les nax
rechtdoor eisi
rechter • oixne • een rechter los oegoejar, los naxar
rechtlijnig retteliane • rechtlijnigheid retteliast
rechts oix
redden nazze
reden lochis
ree raihan, lopreka
reeds soon, shoon
reep razaf
regel • (rij) ra • (wet) bastau
regelmaat stelloek
regen, regenen rein
regenplas plesk
reiken ranjele
reis tress
rek (stellingkast) torcrast
rekenen onanere
rekening houden met euse i moentauyespont ke
rekken raxe
relatie ligest
remmen rubbe
reserveren nazzedeze plaats is al gereserveerd lesnis lech soon fus ibonax
rest rivorest
resultaat polop
reu arfo
reuk larf
reünie posilevriest
reus scharmoe
ribbel brem
ribfluweel bremlurr
richten loxomoke • richting est, loxomok
ridder riditsch
riem noal • (roeiriem) ragolo
riet droes
rillen rimine
ring rons
rinkelen • (rammelen, glazen) tintale • (bel, telefoon) onte
rite sertsch
ritme stelloek
rits fescho, pram • ritsen feschole, prame
ritueel sertschnehet ritueel les sertsch
rivier nisch
roeien rage
roep vokam • roepen vokame
roeren noerne
roest robigo • roesten robige
rogge sezana
rok saia
roken niege
rol rola • rollen rolade
Rome Ipoema
rommel boroe • rommelen (stommelen) witroeze
rond guro • (omheen) fon
rondbrengen zerotrope
rondkijken zerokike
rondleiding zeromauzest
rood roetscha
roof rabon
rook nieg
room maze • (slagroom) spoot
roos rosa
rooster koeklokas, stelloek
roosteren tirose
rose, roze rojan
rots pattra
rotzooi roezj
roven rabone • rover rabo
rozijn silu, siliogu
rug japla
ruiken • (waarnemen) larfe • (geuren) melte
ruilen nieme
ruim noel • (het ruim) noeiola
ruimte noeiola
ruïne runine
ruisen roese
ruit jaloka
ruk jerk
rund chrindiz
rups rusp
Rus zjlarotimovar • Rusland Zjlarotimov • Russisch zjlarotimovne
rust koes
ruw ruza
ruzie repp
rij ra
rijden quode, quodege
rijk risti
rijp moof
rijzen palse

S

sa - sch - se - sf - sh - si - sj - sk - sl - sm - sn - so - sp - st - su

s sam
samen ile • samengaan ilevalde • samenkomen ilevrie • samenstellen ilemise
sandaal sulto
sap tef
sauna sawoi
saus astas
schaal schalla
schaap blehk [ blɛːk ]
schade sevon
schaduw varjo
schakel santi • schakelaar tischalolo • schakelen tischale
schamen zich (voor) honte (rivo)
schat algecira
schateren kachaze • schaterlach kachaz
schatten surazale, avaliare
schaven rade
schedel ballong
scheef pentsch
scheel pait
scheelzien paite
scheenbeen timisch
scheepsdek ferium
scheikunde kemisi
schelden sertuwe
schelen schele
schema koeklokas
schemer sibenik
schenken schregare
schep livesch
scheppen livesche • (creëren) quafe
scheren olitse
scherm (bescherming) oest • (beeldscherm) (peko)saba
scherp takanaf
scheuren schire
schieten knalle • (snel bewegen) taffe
schild krisoest
schildhouder gopanisio
schilderen ferfe
schimmel schom • schimmelen schome
schip tomer
schitteren kitale
schoen kabbe
schok skoe
schokbreker schobre
schokken skoewe, tschoeze
schommel charna
school vang
schoon tems
schoonmaken temse
schoon(dochter) (pra) de konjoeg
schoot sfakiaop schoot isfakia
schop, schoppen tabede • (spade) froetolo
schotel • (bordje) tikisam • (gerecht) metsum
Schot albar • Schotland Alba • Schots albane
schouder spolade schouders ophalen diffe les spolai
schram kress
schrander zeiki
schreeuwen kreite
schrikken febre
schroef viak • schroeven viake
schrijven griffe
schudden tschoezenee schudden bakapse
schuifelen schiffolle
schuilen abrie [ a'briə ]
schuim snowi
schuin pentsch
schuiven schivole
schuld atkums
schuren sjerre
schuur doebe
schijf glaid
schijn simil • schijnen (lijken) simile (licht geven) faine • schijnsel fainest
sein (teken) sen • (seinpaal e.d.) senolo
seizoen oorzim"het (vakantie/zomer)seizoen" les soba
sekonde tiktak
seks tocht • seksualiteit katocht
sentimenteel tarasola
september sich
sesam tatel
sexy tucht
sfeer atmo
show twii
sigaret twokla
sinaasappel portaka
sinds deche
situatie schell
sjouwen schalse
skelet kakost
sla tem
slaaf schlova
slaan sabe
slachtoffer feor
slag sapt
slagen gevame
slagroom spoot
slak sarp
slang nag
slank samdo
slap temef
slapen joeche
slecht fall, keut
slechts noere
sleedoorn sanispo
slenteren kasle
slepen selbe
sleuf juuts
sleutel operlo
slikken leike
slim irim • slimmigheidje astuus
slingeren slipre
slok loik
sloop (kussenovertrek) monog
sloot saf
slopen molle
slordig sleido
slot kloedoloop slot ikloe, fixkloe • (kasteel) slott • (einde) tschiës
sluipen rilischte
sluiten kloede
slurf sosak
slurpen sarfe
sluw snoe
slijm tuwe • slijmen tuwe
slijten trauze, trouze
smaak smitug
smachten ykysene
smaken smituge
smal trang
smeer bromik, bromik
smeken talage
smelten fande
smeren bromike
smokkel tiligam • smokkelen tiligame
snakken naar seldimehij snakte naar frisse lucht te seldimo faf er
snavel bex
sneeuw straai
snel rapp
snerpen seke
snoep makest
snot tris
snuffelen miffiliffe
snuit broenst
snuiven miffile
snijden seke
soep zp, zzp
sok schtoed
sommige sammek
soms sotimo
sorry tinno
Spaans janepsne • Spanjaard janepsar • Spanje Janeps
spannen sabakole
spannend zesp
spar tanjak, ipoh
spartelen spolerate
spatten sterpe, petse
specerij makkis
speciaal sepcial
speeksel puton, kuuz
speer gais
spek dral
spel joj • spelen joje • (muziekapparaat) swite
speld osch
spellen ponkele
sperwer spiorgo
spiegel ainia • spiegelen ainiale
spier sipp
spinazie pinati
spion pipitar • spioneren pipite
spiritus firit
spleet dofen
splitsen speige • splitsing speigoes
spoedig dipar
spoelen solke
spons sigma
spoor (spoorweg) joentras • (achterblijfsel) erbivo • (karrespoor) vensti
sport tifinis • (v. ladder) draba
spot saral • spotten sarale
spotvogel gulbug
spraak loq
spreeuw spjal
sprei masen
spreiden schtriye
spreken loque (volt. deelw. loqu)
springen (op en neer) salte • (opspringen) stutte • (ontploffen) peswote • (van veer) spaze
spruitje(s) sibrali
spugen putone
spuit sproet
spul katenk
spuug puton
spuwen putone
spijker stief
spijt estem
staaf gostan
staal stakimeo
staan stehet staat prachtig cad edoare akro
staart tos, koe
staat • (land) terana • (toestand) salder
stad baile
staf baktron
stage kated • stagiair katedar
stam soesch
stand stest
standaard (model) soroes
stang tscherk
stap quek
stapel stek
stappen queke
staren sarrige
station quinta
steeds jem
steek chiz
steel • (stengel) stigo • (handvat) elo
steen sak
steiger gadam
steil stikk
steken chize
stelen hurse
stelling (rek) torcrast
stem moem
stemmen • (muziek) moemule • (stem uitbrengen) stombe
stemming (humeur) zigo
stengel stigo
ster prikk
sterk stalm • sterke drank bran
stern swojasta
sterven moere
stevig fukis
stiekum igaj
stier runo
stikken summoke
stil sil • stilhouden, stoppen pozorre
stinken sproene
stip stifos
stoel skem
stoep stokise
stof • (textiel) lurr, tsip • (vuil) vlop • (materie) seluutsch
stok nots
stom (dom) stull
stommelen witroeze
stommerik stultar
stoppen (eindigen, beëindigen) tschiëse • (stilhouden; remmen) pozorre • (dichtstoppen) brewe • ergens iets in stoppen eichize ats ei ats
storen tsine
storm stroes
stoten toeske • aanstoten porre
stotteren kakarde
stout swanton
straal brien
straat schak
straf stweg
strak strogi
strand traa
streek (land-) landouwe
streep repo
streng snark
strepen repoise
strik solmo
stripverhaal allaumtonkar
stro kou
stromen woite
strooien lanse
strook razaf
stroom woit • onder stroom staan fuse itschien • stroomopwaarts oestwoitne
stroop striep
struik koto, sag
struikelen stromple
struktuur stelloek, urts
studeren tundole • studie tundol
stuiver blous
stuk • (deel) parr • (kapot) moll
sturen • (geleiden) roere • (zenden) zene
stijf igri
suiker sach, sachar
sukses gevam
surfen broegvele
surfplank velbroeg

T

ta - te - th - ti - tj - to - tr - ts - tu - tw - tij - ty

t tau
taak funx
taal loq
taart totor
tabel koeklokas, stelloek
tachtig tiduk
tafel basa • aan tafel ibasa
tafereel siram
tak tschobran
talloos pinkeleppe
tamelijk savoperto, tempin
tand dix
tang tschipinolo
tante daja
tapijt kamarini
tas stanta
tasten elsente
taxus torsoek
te i • (al te) wiel
techniek sakrog
teder milki
teef arfa
teen toele
teer • (pek) keperte • (teder) milki • (breekbaar) spazoemoe
tegel tadel, anento
tegemoet sakanuus
tegen oestpraten tegen loque e • tegenhouden oesttenere • tegenover oestrivo • tegenwoordig fonzimnis
teken • (sein) sen • (letterteken) gramm
tekenen allaume • tekening allaumest
tekst kawant
telefoon poehelin
telen proje
teleurstellen luure
telkens strades
tel pinkel • tellen pinkele
tent sams
terechtkomen tschiësvrie
teren keperte
terras sannet
terrein oblast
terug soe • teruggaan soepe, soevalde
terwijl izimke
tevoren ibo
tevreden imisch
textiel lurr, tsip
thee stai
thermosfles kodokum
thuis ihemeen thuis los hem
tien son
tig tig
tik hipp • tikken hippe
tillen leze
timmeren terbe
tintelen tikle
tip (advies, idee) ipak
tja tscha
tjalk tschallek
tjiftjaf tschef
toch tok
toe maar kada
toebehoren aan ehozje
toegang evalstverboden toegang batsali, batsalei
toegeven vorine
toejuichen ejaache
toekomst onst
toelaten aispare
toen • (dan, bijw.) zimnas • (als, voegw.) sla
toeren quodege
toeschouwen eloere, koeloere
toestand salder
toetje suus
toeval dozarra • toevallig dozarrane, idozarra
Tokio • van hier tot ~ de nis e Janipongo
tomaat liko
ton (vat) loroebe
toneel siram
tonen sate
tong lala
top pits
tor torr
tot ienttot ziens alloheur
touw tal, tall
tovenaar lesumar
tover, toverij lesum • toveren lesume
tractor draxolo
trap drabina • (schop) tabede
trappen tabede
trede (v. trap) draba
trein joen
trekken draxe • trekker draxolo
trema stifosi
trillen brive
trofee trofehe
trom, trommel trukk • (blik) dal, koet
troost talam • troosten talame
trots (bnw) fir • de trots les first
trottoir stokise
trouw stadon; stadonne
trouwen konjoege
trui trik, trikk
tsja tscha
Tsjech chejestiar • Tsjechië Chejesti • Tsjechisch chejestine
tuffen tanke
tuin bach
tuinboon polsteblof
tunnel soeram
Turk uzuuzar • Turks uzuuzne • Turkije Uzuuz
tussen neices, neises • tussendoortje hatsekidee
twee duo • tweeling duomida • tweetal duost
twintig reduk
twijfel sjoupam • twijfelen sjoupame
tijd zimop tijd joexim
tijdens zimes
typen tippe

U

u • (letter) ua [ 'ya ] • (pers.vnw.) lin; lis
ui oel, oele
uier oetar
uil uba
uit uute
uitbreiden maanuse • uitgebreid lariko, maanusu
uitdoen deme, uuteme
uitgangspunt aiinest
uithouden, het nitisauke
uitkomen • ergens uitkomen tschiësvrie iye
uitkomst (resultaat) polop
uitleg posudit • uitleggen posudite
uitnodigen node
uitrekenen tschiësonanere
uitrusten toekoese
uitrusting karabetisuch
uitspraak uuteloq
umlaut • (puntjes) stifosi • (fonetiek) weksel
uur tiem

V

va - ve - vi - vl - vo - vr - vu - vij

v vee
v.l.n.r. d.s.e.o. (de skio e oix)
vaag zebbe
vaak duk, polakis
vaal jak
vaatdoek kwengel
vacht rim
vader vagge
vagina pitsch
val femol • vallen femole
vals bemt
van de • van alles aitsch toest
vanaf deche
vandaag yesnis, yesnis
vangen kepte
varen naze
variant vasajmoto
vast fix • (alvast) schofi • (zeker, ongetwijfeld) suur, nosjoupamne • (dicht opeen) discht
vastbinden, vastmaken fixe • vasteland fixter
vat loroebe
Vaticaan Kanarikoi
vechten krise
veeg fegon
veel maan
veen pero
veer • (vogel) flire • (vering) veres, veresolo
veertig faduk, kranto
vegen fegone
veilig vamalos
veld pank
venkel migipar
veranderen rivottere
verbannen trausbanuode
verbazen, zich magire • verbazing magir, magirest
verbergen wisse
verbieden batsaloke
verbinden lige
verblinden damrache
verboden toegang batsali, batsalei
verbranden trausbage
verdedigen elstere
verdelen parre, rivoparre
verdenken deveske
verdienen taschbale • ~ aan ~ cir
verdieping (etage) mek
verdrinken blubblubbe
verdomme pokus • 't verdommen poke
verdriet derm
verdwalen fallfundine
verdwijnen zjoure
veren verese
verenigen monole • vereniging monolest
verf braf, braff
vergaan ezne
vergaderen poradite • vergadering poradit
vergeefs mesepe
vergelijken rome
vergeten gese, oeble
vergissen zich vergonse
verhaal tonkar • een verhaal vertellen loque los tonkar
verheffen leze
verheugen (op) patare ik verheug me er op ma patare cad • (zich ~ in) fuse freu tam/gin
verhouding (evenredigheid) baram
verhuizen fruwise
verhuren lokare • verhuur lokar
verjaardag oorjoel
verkeer komeataautoverkeer kablikk
verkeerd guve
verkennen kjolade
verknoeien boefoesche
verkopen veile
verkoudheid epifora • verkouden zijn euse epifora
verlangen (naar) rilideik verlang naar hem ma rilide tes • het verlangen les rilid
verlaten aispare, moentaispare • (onherbergzaam) sabri
verleden ost
verlegen lobome
verleiden hunte
verliefd zijn (op) euse louf (e)
verlies liz • verliezen lize
verlossen zaryke
verloven schampe
vermaak magal • vermaken (iemand) magale • (zich) balnege
vermeerderen maanuse
vermoeden moede
vermommen mome
vermoorden lonze
vernietigen bjozeme
verontschuldigen tinnowe, igirtschane • verontschuldiging tinnowest, igirtschan
veroorzaken azuke
veroveren tammete
verpakken pakoenge • verpakking pakoengest
verplaatsen rivoleche
verraden fraje
verrassen frasse, tidepre
verrek! (krijg nou wat!) matta gelti!
verrekijker forkikolo
vers • (nieuw) serfhet vers les vaglest; les poem
verscheidene maanusne
verschil vasaj
verschrikkelijk tarare
verschijnen zaroezipe
versieren sorne
verstaan prenke
verstand prent
vertalen rivoloque
vertellen tonkare
vervalsen bemtache • vervalsing bemtachest
vervelen (zich, iemand ~) gioene (nit, atar) • vervelend gioeni
verven braffe
vervolgen • (jagen op) weke, nerweke • (voortzetten) forusrache
vervuilen didrosuse
verwaarlozen garmuane
verwachten jexe
verwachting, in ~ zwardon
verwarren walune • verwarring waluna
verwennen wigjone
verwonderen, zich wiyare
verzamelen zjemle
verzetten, zich bandasse
verzinnen fikte
verzwaren lordouse
vest wosk
vet sark
vezel bolokno
vier kwartet
vierkant kwartala; kwartalane
vies didros
villa oguli
vilt polst
vinden • (aantreffen) vorte • (van mening zijn; ervaren als) lappe, ulappe
vinger doef
vink tscheli
viooltje viola
vis kala
vla blee
vlaag plakoe
vlaamse gaai vlaai
vlag labarum
vlak patito • vlak, vlakte patitost • vlakbij dada
vlam bren
vlas vatal
vlecht trilena
vlees uda
vlek mekala
vleugel patram
vlieg kerps
vliegen flerse • vliegtuig flep, flerspiper
vlier eeblum
vloed ploteos
vloeistof woiluutsch
vloeken poeke
vloer bumun • vloerkleed kamarini
vluchten boemoexe
vlug rapp
vlijt flits
vocht noiti
voeden patwe • voeding patwest • voedsel edest
voet ajak • voetbal ajplot • voetballen ajplote
vogel flars
vol sei
volgeling nerpar • volgen nerpe
volgens kata
volk velat
volkoren boloknosei
volledig vurst
vonk sperk
voor • (plaats) vor • (tijd) bo • (ten behoeve van/ten gunste van) e • (pro) ee: ik ben vóór dit voorstel ma fus ee lesnis vormisik stem vóór ma fus/stombe ee
vooral botoe, botote
voorbaat, bij ~ ivorbad
voorbeeld bovams
voorbereiden (op) bokune (e) • voorbereid zijn fuse bokun
voorbode bolamzio
voorbij rivolo
voordoen (voorbeeld geven) satme
voorhoofd hatja
vóorkomen • (zich voordoen) zakoje, fuse, fufuse • (uiterlijk) edoarest • je komt me bekend voor lin edoare konu e mas
voorkómen fezensake
voorlichten kontape
voorlopig fellon
voorraad ritove
voorrecht bonax
voorstel vormis
voorstellen (voorstel doen) vormise
voorstellen, zich ~ • (zich indenken) eirufe nit, eivamse nitzich aan iemand voorstellen vormise nit e atar
voorstelling (presentatie, optreden) zjoerdeng
voortaan desormes
voortdurend jem
voortzetten forusrache, forusme
vooruit evor • vooruit maar! bem zisch!
voorwaarde drept
voorzetsel vormisest
voorzichtig vompa
vorig bone, rivolo
vork fark
vorm moto • vormen motole
vorst • (kou) vonot • (koning) gorm
vos lape
vouw plegar • vouwen plegare
vraag mande
vracht schark
vragen mande
vrede misch
vreemd stran
vreselijk tarare
vreugde freuk
vriend mik, miko
vriendelijk mikne
vriendin mik, mika
vriezen vonote
vroeg oerf
vrolijk lero
vrouw mir
vrucht karp
vrij elt • (tamelijk) savoperto
vrijdag iltyes
vrijen kose
vrijgezel lofra
vuil (zelfst. nw. & bijv. nw.) didros
vuilnis broeskar
vuist tak
vullen seie
vuur fier
vijand foekat
vijf pinda
vijftig solduk
vijl finilo • vijlen finilohe

W

wa - we - wi - wo - wr - wu - wij

w wau
waaien vajate
waar • (echt) verne dat is waar ook! cadnas fus nok verne! • waar? marra? • (voegw.) i di
waard vaxjone • waarde vaxjo
waarheid vernest
waarom marmo • (voegw.) gin di
waarschuwen jentekoeie [ jɛntə'kujə ]
waarschijnlijk vernemauge
waas hei
wacht, de ~ houden tenere jan • wachten fosse
waden wale
wafel wifel
wagen • (kar) ven • (durven) hasne • hij waagde zich aan boord te hasno nit eitomer
waggelen wakilare
wagon eanos
waken jane
wakker jano • wakker worden janite
wal worin
wand was
wandelen wisbre
wang jemk, jemek
wankelen poteotane
wanneer manre • (voegw.) sla
want • (omdat) case, kase • (handschoen) elkabbe • (het want) les skendekatal
wapen • (blazoen) windet • (tuig) krisolo
war • in de war iwaluna
warm jerm
was, wasgoed val • wassen vale • wasverzachter hoto
wat matta • wat voor…, wat voor soort mila • wat ook maar matta aitsch • wat geld but katum • (voegw.) di, cad di
water aa, pava • watersnip pinsk • waterval tobel
wc wessi
web wanga • website wangana
wedden
week • (zacht) lau • (de week) les hafta • weekend zazo
weemoed brali
weer • (het weer) les amzer • (opnieuw) posso • (terug) soe • heen en weer trausetsoe • weerkaatsen soegeste • weerzinwekkend oestdiorachjan
weg • (de weg) les tras • (verdwenen; op) traus • in de weg staan gebbe
wegen wogene
wegens gin
weggaan trauspe (teg. deelw. trauspjan)
weide wede
weigeren wonke
weinig erdi
weken veikre
wel • (i.t.t. niet) ro • (toegevend) doe: ìk ga wel ma ma doe pe • best wel savoperto • wel honderd fietsen schull / bem blixem polki • welnee! bat baj! • welnu rosch
welk melka
welnu rosch
welp fil
wenk navink • wenken navinke
wenkbrauw dwina
wennen jarre
wens tacht
wereld janas
werk robal • (hennepvezel) kambisbolokno
werken robale • (hard werken) oerre • (funktioneren, 't doen) doene • (helpen, effekt hebben) happaxe
werktuig olo • werkwoord zakojwant
west sewen • westelijk sewenne • het westen les sewen
wet kabastau
weten suse • weet je wat,… itau,…
wetenschap zakonosik
wezel iktis
wezen fusest
wie mia • (betr. vnw) di
wiebelen winapite
wiegen wiske
wiek patram
wiel kaliding, rede
wiens, wier mian • (betr.) de di
wierook miran
wikkel fonkait, fonst
wild jors
wilg wolisa
willen vole
wind woesch
winde kaliste
winkel komprana, veilana
winnen jorre
winter worse
wip napit • wippen napite
wiskunde aldjabr
wisselen wontose
wit bles
witlof blesfol
woensdag songyes
woest (onherbergzaam, verlaten) sabri • (kwaad) rotscho rotscho
woestijn zambak
wol lana
wolf bor
wolk boeloet
wond most
wonder uunder
wonderlijk turga
wonen hemme
woord want
worden ite (teg. tijd it)
worm pir
worst kelbis
worstelen palie [palië]
wortel (peen) daukis • (plantk.) kidar • wortelen kidare
woud walt
wraak kleros
wrak runine
wreed waikroe
wreef disna
wreken, zich ~ (op) klerose (e)
wrikken workole
wringen jelomke
wrijven blobe, fratte
wulp spoi
wurmen pire
wij mai
wijd lariko
wijden zogre
wijn oinos
wijs sakeli
wijze • (manier) bauda • op één of andere wijze atoea • (mens) sakeliar
wijzen jouze

X

x xi

IJ

ijs glet
IJsland Tule • IJslander tulear • IJslands tulene
IJssel Iissala • IJsselmeer Iissalascheu
ijver flits
ijzer ferr

Y

y yps
yoghurt schloech

Z

za - ze - zi - zo - zu - zw - zij

z zet
zaad zaf
zaag gis
zaak (geval) zache
zaal alono
zacht lau • (mild) milki
zadel djep
zagen gise
zak lug • zakdoek trisdrum, lugdrum
zakken knose
zalf waln
zand zella
zanglijster redjina
zat, 't ~ zijn tchepe (de)
zaterdag sturneyes
zee scha, schas
zeef bade
zeep ues [ 'yɛs ]
zeer, heel veer
zegen barka • zegenen barkane
zeggen quesse (verl. tijd ook quo)
zeil vel • zeilen vele
zeker suur • een zeker(e)… quidam…
zelden zaras • zeldzaam zara
zelf flas • dezelfde, hetzelfde les flasne
zelfs schull
zelfstandig naamwoord onoma
zenden zene
zenuwachtig biwai
zes laa • zestig laaduk
zetten mise • koffie, thee zetten rache koufas, stai
zeuren wide
zeven • (telw.) si • (ww.) bade
zeventig siduk
zich nit
zichtbaar voroemoe
ziehier dranis
ziek hasta
zielig zambi
zien voretot ziens alloheur • ziehier dranis • zie je wel drelorum
zilver zelar
zin • (taal) dom • zin hebben in/om euse dio e/i
zingen gale, mele, vagle
zinken likwe
zitten dosse
zo tat • zo hé! kriez! • zo'n tat los, tale
zoals tatsla
zodat tatke
zodra traziti
zoeken zake
zoemen moezle
zoet mak
zoëven senes
zogen brofe
zojuist joex, senes
zolder otemetus
zoldering zatto
zomaar endores
zomer dilan
zoen song
zon soena
zondag soenayes
zonde hamartema
zonder endor • zondermeer endores
zondigen hamartemale
zonet senes
zoogdier brofron
zool (voet) sonkla • (schoen) kabbesonkla
zoom (rand) zinron
zoon pro
zorg (aandacht) groze; (kommer) soesi • zorgelijk soesine • zorgen (aandacht geven) groze • zorgzaam grozene, grozesei
zout toeztoezne
zucht huch, souv
zuid, zuiden doez • zuidelijk doezne • Zuiderzee Iissalaschas
zuigen brefe, doeke
zuil piter
zuinig melje
zuivel kabainnest
zulk tat los, tale
zullen one
zus kardesa • (broer/zus) nast
zuur zent
zwaaien • (slingeren, zwiepen) djewe • (wuiven) djowe
zwaar lordo
zwak djech • (zacht) lau
zwanger zwardon
zwart cafe, kafe
Zweden Broa • Zweed broar • Zweeds broane
zweep habena
zwellen zibe
zwembroek kolumbri • zwemmen kolumpe
zwerven swibe
zweten djaase
Zwitserland Cea • Zwitser cear • Zwitsers ceane
zwoegen oerre
zwijgen tuse
zij ta; ti
zijde (kant) tala (textiel) zujenke
zijkant talala, tatala
zijn fuse • (van hem) ten

naar boven
eaudi