naar de Voorpagina

Joeperoog


Woordenlijst Plattegonisch-Nederlands
Wantilak plattegoone-ennelne

A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z
Ned > Platt
  naar boven
  • Waar de klemtoon niet op de eerste lettergreep valt, wordt deze aangegeven door onderstreping.
  • dicht.: dichterlijk
  • vero.: verouderd

A

aa - ab - ac - ae - af - ag - ah - ai - aj - ak - al - am - an - ap - ar - as - at - au - av - ax - az

aa water • aafemol (vero.) waterval
aas heet
ab maar, echter, evenwel • ab zisch maar ja
abasa volle nicht • abaso volle neef
abelli helder
abisorbantes accordéon
Abrahamana Israel • abrahamanane Israelisch • abrahamanar Israeliër
abrie schuilen
ac èn, plus
aeh, æh, äh hé, hè
Afer Afrika • aferar Afrikaan(se) • aferne Afrikaans
agemen ongeluk
ahob, ahop mooi
ai ach
aigann oceaan
aiin bron • aiinest beginsel, uitgangspunt
ainia spiegel • ainiale spiegelen
aispare laten, nalaten, toelaten; verlaten
aitra middag, namiddag
aitsch allerlei • aitsch totest/totest aitsch van alles • matta aitsch wat ook maar • melka aitsch welke ook maar • moea bem aitsch… hoe goed ook…
aizo eerlijk
ajak voet
ajam • (voegw.) hoewel • (voorz.) ondanks
ajplot voetbal • ajplote voetballen
ak heg
akwaloen (vero.) februari
alazan avontuur
alba mogelijk
Alba Schotland • albane Schots • albar Schot
albeca [ albetsa ] alfabet
aldjabr wiskunde
alefbet (vero.) alfabet
Aleiti Italianië • aleitiar Italianiër • aleitine Italiaans
1. alf • de letter a • alf stifosi de letter ä
2. alf alf, elf
algecira schat
alnus els
allaume tekenen • allaumest tekening • allaumtonkar stripverhaal
alloheur tot ziens, doei
alom overal
alomok heilig • alomokar heilige, sint
alono zaal
-am -achtig, lijkend op
Amok Amerikanië • amokar Amerikaniër •amokne Amerikaans
amzer weer, weersgesteldheid • ka-amzer klimaat
-ana (geeft plaats aan waar iets is)
ana plaats, plek
anas eend
andron gang, doorgang, corridor
anento tegel
anglo engel
anketa enquete
antys aanrecht
ap maar, echter, evenwel • ap zisch maar ja
Apas Nijmegen
apokte krijgen
aptann avond
ar mens
arda gloed • arde gloeien
arf hond • arfa teef • arfo reu
ariloen (vero.) april
ark boog • arkkloedolo hangslot
arktos beer
Aroma Europa • aromar Europeaan • aromane Europees
arto lidwoord
asfales asfalt • asfalese asfalteren
Asoe Azië
astas saus
astuus foefje, slimmigheidje
at een of ander
atar iemand
atkums schuld
Atlinaigann Atlantische Oceaan
atmo sfeer
atoea op één of andere manier
atriko moes, puree
ats iets
auche deinen
audi boven
aukike opkijken
aurum goud
austo gewaad
avaliare schatten
ave af • avebrone afdalen • avejouze afkeuren, afwijzen • aveloq afspraak • aveloque afspreken
avenoeme havermout • avenum haver
avewontose afwisselen
ax flikker
azuk oorzaak • azuke veroorzaken
azunda apart

B

ba - be - bi - bj - bl - bo - br - bu

ba nee
babroenge plunderen
bach tuin
bade zeef; filter • zeven; filteren
baf borst • bafoest borstwering
bage branden • bagrasam brandnetel
baile stad
bainne melk
baj joh, 'màn!'
bakapse nee schudden
baktron staf
balare blaten
balgona balcon
ballong schedel
balnege zich vermaken
balts dans
balwt kaneel
bam bord
bams knal
bandasse zich verzetten
banuode bannen
bappe bukken
baram verhouding, evenredigheid
bardine beledigen
barga fijn, prettig, aangenaam; behaaglijk
barka zegen • barkane zegenen
barr noord; het noorden • barrne noordelijk • barrsatolo kompas • Barrschas Noordzee
barrus olifant
bart balk
basa tafel
baschome niet hoeven te
bastau regel, wet
bat • niet; nee; geen • bat baj! welnee!
bataja beschuit
batam eik
batar niemand
batmos graad
batoea geenszins, op geen enkele wijze
bats niets • tat [gak] sla bats onbeschrijflijk [groot]
batsalei, batsali verboden toegang • batsaloke verbieden
batscheloemoe onverschillig
bauda manier, wijze
baxen aap • baxennoex (vero.) pinda
bede bidden • bedest gebed
bederke bédelen
beit nooit
bellis madeliefje
bem goed • bem zisch nou ja, nou goed, vooruit maar • bem optan oori wel acht jaar • bemsale graag mogen
bemt vals • bemtache vervalsen
berk berk
berne graan, koren
berre drinken
bervon beurt • ibervon aan de beurt • rivobervon om de beurt
beschome (vero.) niet hoeven te
besoene broeden
bet de letter b
bette • moeten • hoeven: mai bette noere rache duo we hoeven er maar twee te maken • bettest plicht
betune plint
bex snavel
bibis baard
biga bobbel, bult • bigale bobbelen
bin duizend • binbin miljoen
bis boom
bischan bi
biskoktum biscuit
biwai zenuwachtig
bjoesk beet • bjoeske bijten
bjozeme vernietigen
blaene blazen
blankaz blank
blee vla
blehk [ blæːk ] schaap
blehs [ blæːs ] mei
bles wit
Blesaroo Groot-Brittannië • blesarooar Brit • blesaroone Brits
blesfol witlof
blikk auto
bliksem honderd
blinischte blinken
blobe wrijven
bloej blauw
blof boon
blorde blond
blous stuiver
blove beloven • blovest belofte
blubblubbe verdrinken
bo vóór (tijd)
boch boek
bodar direkt
boede druipen
boefoesche verknoeien, bederven
boejane (vero.) bewaken
boeka kuil
boelang belang • boelangne, boelansei belangrijk
boelesume betoveren
boeloet wolk
boem boef
boemoexe vluchten
boes bos • boesili bosjes
boet druppel • boetle druppelen
boin dooi
boisch boog • boische buigen
boker kruid • jorsboker onkruid
bokun voorbereid • bokune voorbereiden
bolamze aankondigen
bolamzio voorbode
bolokno vezel • boloknosei volkoren
bolvo bult, bobbel
bolzane blozen
bombos bom
bonax voorrecht • ibonax gereserveerd
bonazi jong broekie
bonde binden
bone vorig
bonnebonne miljard
bont bons • bonte bonzen
boppe neuken
bor wolf
borgele overleggen, bespreken
boroe rommel
borro boter
borzine bewerken
bosoeyesnas eergisteren
bosok bodem
botesse knabbelen • boteze kauwen
botoe vooral
bovams voorbeeld
box leeg
braf verf • braffe verven • braffole kwasten, verven • braffolo kwast
brakel los • brakele losmaken
braki broek
brali weemoed
bran sterkedrank, borrel
bras broer
braus bruin
bre gletsjer
brecho arm, behoeftig • brechole behoefte hebben aan
brefe zuigen
breike bereiken
brem ribbel • bremlurr corduroy, ribfluweel
bren vlam
brent (vero.) berk
brewe dichtstoppen
brien straal
brive trillen
Broa Zweden • broane Zweeds • broar Zweed
broeg plank • broegvele surfen
broen neus • broenst snuit
broes douche • broese bruisen; douchen
broeskar afval, vuilnis
broet heide
brofe zogen • brofron zoogdier
broike brullen
brojse grinniken
brom foto
bromik smeer • bromike smeren
brone dalen
broska broccoli
brotam boterham
brott brood
bruscar (vero.) afval, vuilnis
bub bel, luchtbel
bulese blussen • buleska brandweer
bumun vloer
buollom buspecar [ buɔ'lɔm buspɛ'ʃɑr ] (afkomstig v/h Ýo, lett.: ik wil bespreken) aanhef van een vertoog, lezing of artikel
bussum bezem
but een beetje, wat; enige
buu overweg
buus buizerd

C

ca [ tsa ] de letter c
cad [ kɑt ] het • cadnas, cadnas dat • cadnis, cadnis dit
cafe zwart
case want, omdat
Cea Zwitserland • ceane Zwitsers • cear Zwitser
ceiltigh kelt
cemet centimeter
cerrja merel
chaire groeten
chape kwaken
charna schommel
chartes kaart
chasta band
Chejesti Tsjechië • chejestiar Tsjech • chejestine Tsjechisch
chens heup
chinim chloor
chiz steek • chize steken
chol hal
chrindiz rund
cir door, d.m.v. • circad daardoor • cirke doordat
codis cd
crast kast
crul geloof • crule geloven
crus gras
crut kruis

D

da - de - di - dj - do - dr - du - dw

d.s.e.o v.l.n.r.
da bij • dada dichtbij, vlakbij
daf dik
dafusjan aanwezig
dagimeo ontzet, ontdaan
dai berg
daja tante • dajo oom • dajgen, dajpra, dajpro (vero.) nicht; neef
dakina (zake) dekking (zoeken)
dal blik, bus
dalch dof
daleg bui
dam blind
damauz beleid
damma hert
dammok gezellig
Dan Denemarken • danar Deen
daner bijna
danne Deens
danok dan ookles polop danok fus migirjan het resultaat is dan ook verbazend
daps maaltijd
dar, darr hard
darse dwingen
dasp afscheid • daspe afscheid nemen
dast nabijheid
datapest bijlage
daugre dreigen
dauke duren
daukis peen, wortel
daukum, cad fuso nok ~ bat skoer het was nog lang niet donker
daupare er achter komen
daxuse naderen
de van • (soms bij lijdende vorm) door
deaispare aflossen
debate daveren
deche vanaf; sinds
del de letter d
delarne leren (van)
deme uitdoen
demet bundel, bos • demete bundelen, bossen
denef gulp
denvala lavendel
deproente lenen van
derm verdriet
desormes voortaan
Deutz Duitsland • deutzar Duitser • deutzne Duits
deveske verdenken
di die, dat (betr. vnw.)
dia biologisch, eko
didros vies, vuil • didrosuse vervuilen
diffe les spolai de schouders ophalen
dilan zomer
dilime aarzelen
dimel namelijk
dimmo pudding
din nu
dio e/i zin in/om
dioe dauw
dipar gauw, spoedig • dipare snellen, zich haasten
dipzim herfst
dirgand maart
discht dicht, vast, kompakt
diskose ontdekken
disna wreef
dix tand
djaas zweet • djaase zweten
djale jongen
djech zwak
djenne hinderen • djenne bat! geeft niet!
djep zadel
djewe zwaaien, slingeren
djo god
djoek gids
djowe zwaaien, wuiven
doach afgrond
dode doden
doe wel; maar; eens
doebe schuur
doed moeras
doef vinger
doelap ketjap
doen (dicht.) toen
doene 't doen, werken, funktioneren
doez zuid; zuiden
dofen kier, spleet
dolabre houwen
dolak! kom op!
doleska puber
dolor pijn
dom zin (taal)
don bil
dong doel • dongtomm doelpunt
donka dame • donko heer
dorela meeuw
doses natuurlijk, tuurlijk, uiteraard
dosse zitten
dostrei naamval
dozarra toeval • dozarrane, idozarra toevallig, bij toeval
dra zie, kijk
draba traptrede; laddersport • drabina trap, ladder
dracena draad
dragelse opvoeden
dral spek
dran deur
dranis • ziehier • alsjeblieft
dranode portaal
drasena draad
draxe trekken • draxolo trekker; lokomotief
dre (vero.) zien
dreitim adres
drelorum zie je wel
drem droom
drembe pinnen
drept voorwaarde
drest gezicht, blik
droes riet
drom banaan
drum doek
duit cent
duk vaak
duo twee • duomal dubbel • duoparrne even • duost paar, tweetal
dupp dubbeltje
duuplo drift • duuplone driftig
dwal jam
dwes (< de les) van de, van het
dwina wenkbrauw
dwon half • dwonst helft
dwos (< de los) van een

E

ea   eb   ed   ee   ef   eg   eh   ei   ej   ek   el   em   en   eo   ep   er   es   et   eu   ev   ex   ez

e aan, naar toe; voor; om te (+ inf.) • loque e praten tegen
eanos wagon
eastend achterwerk
eaudi naar boven
eburema ivoor
ede eten
edemore bewonderen
edest • voedsel • maaltijd
edoare eruitzien • edoare konu bekend voorkomen
edoje leren, onderwijzen
edonge bedoelen
ee vóór, pro • ma on ee lesnis vormis ik ben vóór dit voorstel
eeblum vlier
ef even, ff
efota extra
egan eigen • eganest eigenschap
ehozje toebehoren aan
ehippe aantikken
ei … in (richting) • ei les boes, eiboes het bos in
eiber ooievaar
eiembische opeisen; in beslag nemen • eifemole instorten • eifluster inspiratie • eikip aanplant • eirufe nit zich indenken, zich voorstellen • eiseie invullen
eisi rechtdoor
eist ingang
eit ooit
eivrie binnenkomen
eizogre inwijden
ejaache toejuichen
ekike aankijken
ekip aanplant
el hand • ele behandelen
eleison mis (kerk)
elia lijn
elma appel
elo handvat, hendel, deurklink, enz.
eloere toeschouwen; aanschouwen
elpats applaus
elsente tasten
elstere verdedigen
elt vrij • elttapne gul
eluvalie aanmoedigen
emajo dij, dijbeen
embische eisen • eiembische opeisen, in beslag nemen
eme aandoen (lamp, kleren…)
emgalai onthulling, openbaring • emgale onthullen
emposta deurpost, raamkozijn
enau pijl
endor zonder • endor…ne …loos • endorbette ontmoeten • endores zomaar, zondermeer
endorholmst opluchting • endorholmu opgelucht
eneur indruk
Ennel Nederland • ennelar Nederlander • ennelne Nederlands
eonte aanbellen
epare blijken • eparne blijkbaar
epifora verkoudheid • euse epifora verkouden zijn
eprise aannemen
eproente lenen aan
eproesche aandringen
eps de letter e • eps stifosi het letterteken ë
er lucht
erbivo spoor, pad
erdi weinig • erdimoeses minstens
erenos jongen
eros nul • oe eus eros nilva de cad je hebt er niks aan
ersot ezel
ertsch • graag • alsjeblieft
ertschmoes 't liefst
erzok handig
es aan (licht, vuur, apparaat)
esche op, bovenop • eschenede op en neer • eschepatitost oppervlak(te) • eschke opdat
eschome nodig hebben
eskite opwinden
Eskolana Finland • eskolanane Fins • eskolanar Fin
Essana België • essanane Belgisch • essanar Belg
essark duw • essarke duwen
est richting
estem spijt
et en
-et (uitgang van zelfstandig gebruikte infinitief) • les kiket het kijken
etf. (et tat forus) enz., enzovoort
etomme aanraken
etropar leverancier • etrope leveren
ettat enzo
eudar (ook ödar) radio
euse (verl. tijd ook oo) hebben
evitek inderdaad
exaudi hemel
ezne vergaan

F

fa - fe - fi - fj - fl - fo - fr - fu

faach beuk
fabra flink
faduk veertig
faf fris
faine schijnen
fall slecht • fallfundine verdwalen • fallug klootzak
fam huid
fan kind
fande smelten
fanela hemd
fantot precies
fark vork
farozi heftig, fanatiek
fas pet
febre schrikken
fegon veeg • fegone vegen
fellon voorlopig
felsolite gebieden • felsot gebod • felsotzim gebiedende wijs
fem kin
femes planeet
femol val • femole vallen • femoloest valscherm, parachute
feor slachtoffer
ferfe schilderen
ferium scheepsdek
ferr ijzer
fescho rits • feschole ritsen
fette passen (ook fig:) behoren
feuda pauze
fezensake voorkómen
fi de letter f
fier vuur
fikte verzinnen
fil pup, welp
fimo beleefd
finikelle programma
finilo vijl • finilohe vijlen
fir trots (bnw) • les first de trots
firit spiritus
fiss pot
fisse sissen
fix vast • fixe vastmaken, vastbinden • fixter vasteland, continent
fizelefi filosofie • fizelefihe filosoferen
fjafe fluiten
flars vogel
flas zelf • flasne zelfde
flep vliegtuig
flerse vliegen • flerspiper vliegtuig
fles gelijk
flire veer, veder
flisi elkaar • flisin elkaars
flits ijver, vlijt
floeste prutsen, frunniken, peuteren
flustre fluisteren
fo verl. tijd van fuse zijn
foekat vijand
foesche knoeien
fol blad • foltala bladzij • folzake bladeren • folzakolo browser
fon om, omheen • foneuse aanhebben, dragen • fongriffe beschrijven • fonkait wikkel, omslag, envelop • fonkike om iets heen kijken • fonloque bespreken
fono achtergrond
fonpeexe bepalen • cad it fonpeexu de dat hangt af van
fonprise omarmen, omhelzen • fonrufe overdenken
fonst (lett. ‘wat omheen is’) omgeving • wikkel, omslag
fontert bekleding
fonzimnis tegenwoordig
for ver • forkikolo verrekijker
fortsa fonds
fosse wachten
fowele pyjama
fradole plezier
fraje verraden
frasse verrassen
fratte wrijven, poetsen
frel fijn, klein
frepoleke opvallen
freu blij • freuk vreugde
friole • bloei • bloeien
fritse flitsen
froete graven • frot graf
fruwise verhuizen
fu volt. deelw. van fuse zijn
fufuse bestaan
fukis stevig, sterk
fump duim
fundine dwalen
funx taak
furts borstel
fuse zijn • fusest wezen
fuufuu hèhè
fuulke provincie

G

ga - ge - gi - gj- gl - go - gr - gu

gadam steiger
gais speer
gaj geheim • gajne geheim (bnw) • gajsei geheimzinnig
gak groot
galamen kapot
gale zingen
Gallekter Frankrijk • gallekterar Franse, Fransman • gallekterne Frans
gam de letter g
gan hoog • ganschtoed kous
gang januari
gap gek
garda politie
garik gaar
garjate kraken
garm koningin
garmuane verwaarlozen
garriome kermen
gastoe ochtend
gastor goot
gavi duik • gavie [ ga'viə ] duiken
gebbe in de weg staan
gejone galmen
gelt hamer • matta gelti! verrek! krijg nou wat!
gemiloen (vero.) juni
gen kind, nakomeling • gengen kleinkind • genpra kleindochter
genisch gember
gent jong
gers klein
gese vergeten
geste kaatsen • soegeste weerkaatsen
gevam sukses • gevame slagen
gidoeke zich gedragen
gim(li) kop(je)
gin om, wegens • gincad daarom
gininore negeren
ginkat daarom
Ginnes Ierland • ginnesar Ier • ginnesne Iers
gioene (nit, atar) vervelen (zich, iemand) • gioeni vervelend
gis zaag
gischoze geeuwen
giseritini belangstelling • giseritinine interessant
gisse raden
gjes jeuk
glaid schijf
glet ijs
glikop evenwijdig
globuse glinsteren
gloume kreunen
gluang algemeen
godepor poort
golde gelden
gonia hoek
gopanise leunen • gopanisio schildhouder
gor cel
gordo knoop (in touw)
gorm koning
gortsch keel
goside bestellen
gosipi katoen
gostan staaf
graff vergif
gramm letter
grante knersen
graspor mus
gratte krabben
grekoes gracht
greox grens
griffana kantoor, bureau, ambt • griffe schrijven
groembe grommen
gromp grond
groze • zorg, aandacht • zorgen, aandacht geven • grozesei zorgzaam
gruufe rapen, oprapen
gulbug spotvogel
gum bloot
gunto kruis
guos kuit(been)
guriz bocht, draai • gurize draaien
guro rond • gurogoniane afgerond, met ronde hoeken • gurouse afronden
guum koel
guve fout, verkeerd • les guvest de fout

H

ha - he - hi - ho - hu

habe hijgen
habena zweep
hade hopen; hoop
haf hals
hafta week
hahe lachen
hake halen
hamartema zonde • hamartemale zondigen
hamavik elleboog
hampap expres, met opzet
hanicha nichtje, oomzegster • hanicho neefje, oomzegger
happax effekt, werking • happaxe helpen, werken, effekt hebben
harber krul • harbere krullen
harena hobby
hargam enkel (gewricht)
harisa hees
harma grijs
hasne durven • te hasno nit eitomer hij waagde zich aan boord
hasta ziek
hatja voorhoofd
hatsekidee lekker hapje, tussendoortje
hatsche niezen
hauwjahs juli
hawes haven
hechenke hinneken
hee de letter h
hei waas
heisa lift
helkarit argeloos
Hellas Griekenland • hellasar Griek • hellasne Grieks
hellem verlamd
hem thuis, tehuis • ihem thuis, in huis • hemme wonen
henser held
hepp hek
her, herr doof
herido knie • heridole knielen
hermake (vero.) sluipen
hern (vero.) wc
hest hulp • heste helpen
heti meteen
hifnoele opruimen
higa hobbel • higale hobbelen
hima hetero
hipotwam officieel
hipp tik • hippe tikken
hirad geschiedenis
hisse omhelzen
hitalnos heimwee
ho! o!
hoesgan meubel
hofstukk hoofdstuk
hokaj hagel, hagelen, het hagelt, het hagelde
holm bang • holme bang zijn, vrezen • holmst angst
hont schaamte • honte zich schamen
Horni Alpen
hos gebaar • hose gebaren
hospunar opvolger • hospune opvolgen
hoska hol, grot
hoto wasverzachter
hozje behoren tot
huch zucht
hunte verleiden
hupame, hupare oefenen
hure huren
hurse stelen
hus huis

I

ia-im   in-iz

-i (uitgang van meervoud)
i te, in, op, aan
-ian (uitgang van tegenwoordig deelwoord)
ibo tevoren
ibonax gereserveerd
ibraska kool
ich hok
iduutsche, idytsche gaan om
ient tot
ies (vero.) oog
iet de letter i
-ifta -genoot (husifta huisgenoot, robalifta collega)
igastoe 's ochtends
igirtschan exkuus, verontschuldiging • igirtschane verontschuldigen
igri stijf
ihem thuis
Iissala IJssel • Iissalaschas Zuiderzee • Iissalascheu IJsselmeer
ikat aanval • ikate aanvallen
ikloe op slot
ikoetitsne organiseren • ikoetitsni organisatie
ikof 's nachts
iktis wezel
ile samen
ilekschene oplossen
ilisos gewricht
ilka aardig
ilp hoen • ilpa kip • ilpo haan
ilter altaar
iltyes vrijdag
imisch tevreden
imita kopie • imitale kopiëren
imonomoes eerst, als eerste
ineices, ineises ondertussen, intussen
inodirisem horizontaal
inonax onterecht
intirlekkuel intellectueel
inum nagel
ioestparr integendeel
ipak tip
ipjan van plan
Ipoema Rome
ipoh spar
ipoiche optreden
ipus sigaar
irim slim
isbre lopen
isi recht
ist meervoud
itau idee • itau,… weet je wat,…
ite (teg. tijd ma it) worden
itevaldest ontwikkeling
itomer aan boord
itras onderweg, op weg
ivorbad bij voorbaat
iwaluna in de war
ixi binnen, binnenin • ixikloede opsluiten • ixine innerlijk • les ixinest het innerlijk
iye ergens
iyes overdag
izak onderzoek • izake onderzoeken
izim (vero.) op tijd
izimke terwijl

J

ja - je - ji - jo - ju

jaache juichen
jaas eeuw
jaj • les jaj het leven • jaje leven
jak vaal
jaloka ruit, raam
-jan (vero.) (uitgang van tegenwoordig deelwoord)
jan, tenere ~ de wacht houden
janas wereld
jane waken
Janeps Spanje • janepsar Spanjaard • janepsne Spaans
Janipongo Japan • de nis e Janipongo van hier tot Tokio • janipongoar Japanner • janipongone Japans
janite wakker worden • jano wakker
japla rug
jarki gewoon • jarkis gewoonlijk
jarre wennen
jati oma
jelomke wringen
jem steeds
jemk, jemek wang • jemekbibis bakkebaard
jempo brommer
jenese bewegen • jenesolo motor
jentekoeie waarschuwen
jerk ruk
jerm warm
jeuti grootouders
jeve gaaf
jexe verwachten
jich bah
joeche slapen
joechle dommelen, dutten
joel feest • joele vieren
joen trein
joepi hoera
joest kaas
joex • juist • zojuist • joexim op tijd
joj spel • joje spelen
joka perron
joleron jaloers
jomane jubelen
jorbok onkruid
jorpe huilen
jorre winnen
jors wild • jorsboker (vero.) onkruid
jot de letter j
joti opa
jouze wijzen
jox fles
juf netjes
juup jurk
juuts greppel, sleuf

K

ka - ke - ki - kj - kl - kn - ko - kr - ks - ku - kw

ka- (onbeklemtoond voorvoegsel dat verzameling aangeeft, bijv: kadai ge-berg-te)
ka-amzer klimaat
kaazles kaaz de bij
kabainnest zuivel
kabar bakker
kabastau wet
kabbe schoen
kabe bakken
kablikk autoverkeer
kaboeri kraan
kachaz schaterlach • kachaze schateren
kada toe maar
kadai gebergte
kaesine (vero.) handschoen
kafe zwart
kafgan kermis
kagandai hooggebergte
kaimento cement
kait papier
kakarde stotteren
kakarp fruit
kakost skelet, gebeente
kakris oorlog
kala vis
kalamo kaal
kalarnest kursus
kaliding wiel
kaliste winde
kalk klodder
kamarini vloerkleed, tapijt
kambis hennep
kamest gedoe
kami gum
kamm! oeps!
kampania champagne
kampong camping • kampongole kamperen
Kanarikoi Vaticaan
kanast eind, afstand
kanios (bus)kruit
kanoa kano
kanseloen (vero.) juli
kap de letter k
kaple zich overgeven
kappe hakken
kapriloen (vero.) januari
kapse (ja) knikken
karabetisuch uitrusting
kardesa zus
karon gedierte, allerlei dieren
karp vrucht
karrara marmer
kasak gesteente
kasban! getverderrie!
kase want, omdat
kaski ketting • kaskihe ketenen
kasle slenteren
kat het
kata volgens
kated stage • katedar stagiair
katenk spul
katnas, katnas dat • katnis, katnis dit
katocht seksualiteit
katsch pap
katto dak
katum geld • katumana bank
katu bende, 'gang'
kawant tekst
kazu kastanje
ke dat (voegw.)
keburinsanxo [ kɛburin'sɑnχɔ ] (afkomstig v/h Ýo, lett.: jullie zijn bevrijd) uitroep van vreugde bij het gewaarworden van de lente
kecht haat • kechte haten
kefali honing
kek (vero.) keuken
kelbis worst
kelede kelder
kellam gammel
kem knoflook
kemerd glans • kemerde glanzen
kemisi chemie, scheikunde • kemisikrak reageerbuis
keperte teren • les keperte de teer, het pek
keptana gevangenis
kepte vangen
ker hart
kerps vlieg
kert kort • kert soe pas, onlangs • de kert pas
kesne handschoen
ket gas
ketest raket
keujre wandelen
keut slecht
kidar wortel (plantk.) • kidare wortelen
kienst muur
kike kijken
kiliti korte broek
kimen klant
kimet kilometer
kioerle koken, zieden • kioerlo ketel
kipe planten, poten
kipkel klont
kirche griezelen • kirchne griezelig
kirje brief
kitale schitteren
kizo dijk
kjolade verkennen
klaje hozen
klakivetse uit de hand lopen
klana duidelijk
klatre klateren
klekebrale rammelen
kleros wraak • klerose (e) wraak nemen (op)
kletsche kletteren
klimzje plenzen
kloe dicht • ikloe op slot • kloede sluiten • kloedolo slot
kloege klagen
kloemzje plonzen
kloez poel
klohak mantel
klok bier
klokke kakelen
kloni klef
klonk clown
kloun minister • klounest ministerie
klouse opruimen
knalle schieten • knallolo, knallpyrba schiettuig (geweer, buks, pistool enz.)
kneba (zit)bank
knok hout
knors grind, grint
knos knoop; knop
knose zakken
knozzo knobbel
knust kunst
knuvo margarine
koase gieten
kodis cd
kodokum thermosfles
koe staart
koebale dragen
koebas emmer
koef droog • koefe drogen
koefas koffie
koehel alkohol
koeklokas rooster, tabel, schema • koeklokaswanti korrelatieven, tabelwoorden
koekosove kokhalzen
koel mug
koelak oor
koeloere kijken, bekijken, beschouwen
koempoe mouw
koerres blok
koervo krom
koes rust
koet kist, doos, bus, krat, enz.
koetelotte recept
kof nacht
koin inkt
koko homo
kolder gevaar
koll knuppel, knots
kolo makkelijk
kolumbri zwembroek • kolumpe zwemmen
kom dal
komasto maag
komeata verkeer, omloop, circulatie
komke dreunen • komko dreun
komprana winkel • kompre kopen
komveile handelen, kopen/verkopen
kondom kraag
kone kennen
konjoegar echtgenoot m/v • konjoege trouwen • konjoegest huwelijk, echt
konlang kenmerk
konst kennis
konstare kosten (ww.) • konstarest kosten (znw.)
kontape informeren, inlichten, voorlichten
kopotte kloppen
korve kerven
kosche hollen
kose vrijen
kost bot, been
koto struik
kou stro
koufas [ 'kufɑs ] koffie
kowek koek
krak glas
kramaere grammatika
kranto veertig
krast kast
krauz damp
kref kans
kreite schreeuwen
krekio kraai
kremp krant
krepte grijpen
kreske groeien
kress schram
kri februari
kribos duur
kriez (positieve krachtterm): màn! bliksem! zo hé! wauw!
krine krassen
krise vechten • krisoest schild
kronis groen
kronne glimmen
kronst groente
kroto deken
krul geloof • krule geloven
krus gras
krut kruis
kschaste kracht
kudec, kudek (meerv: kudeci, kudesi, kudeki) liter
kukk (vero.) koek
kukktopp koekepan
kukumis komkommer
kullerei kultuur
kun klaar
kuriakon kerk
kustos blaas
kuuz kwijl • kuuze kwijlen
kwaddi kwartje
kwartala; kwartalane vierkant
kwartet vier • kwartetparr kwart
kwede kwaad doen, schaden
kwengel vaatdoek
kwetak hagelslag
kwiem kwartier
kwiez peer
kwonst kwart
kwyts kwarts

L

la - le - li - lo - lu - ly

la (vero.) zes
laa zes • laaduk zestig
laban karnemelk
labarum vlag
labe likken
laboeradeg fabriek
labra lamp
laetare (vero.) grote lijster
laje likken
lak lijst
lala tong
lam de letter l
lamme aaien
lamze melden
lana wol
landouwe landstreek, gewest, gebied
lange (op)merken
langvams beeldmerk, logo
lanse strooien
lape vos
lappe vinden, menen
larf reuk • larfe ruiken (waarnemen)
largo lek • les largo het lek • largole lekken
lariko breed, wijd
larnest les
lau zacht, week, zwak
lech plek, plaats
lede lijden
lefdoi kompliment
legomale heten
legrai (inlin legrai’) gij lezer (afkomstig v/h Ýo)
lei moe
leike slikken
lejer lenig
lekt keuze • lekte kiezen • lektelak keuzelijst, menu
lektoer porie
lengal lang • lengaltrang langwerpig
lengram langzaam
lentsche laan
leoloen (vero.) augustus
lepe drijven
lepwo lade
lero vrolijk
les de, het • lesnas, lesnas die, dat • lesnis, lesnis deze, dit
lesum tover, toverij • lesumar tovenaar • lesume toveren
letare grote lijster
leze tillen, heffen • verheffen
libraloen (vero.) oktober
lidap peddel • lidape peddelen
lidena lied
lief lijf
lients pijl
lige (ver)binden • ligest verbinding, relatie, kontakt
like balen
liko tomaat
likop lak • likope lakken
likwe zinken
limer lid
lin jij • lini jullie • linin, linis jullie
lin legrai (afkomstig v/h Ýo) gij lezer
Linzana Oostenrijk
lirsk lelijk
lis je, jou, u; jouw, uw
lischa lus
liz verlies • lize verliezen
lobome verlegen
lochan log, lomp
lochis reden
loebraska bloemkool
loebri bloem
loekaris loon
loeke hangen • loekele bungelen
loen maan
loent maand
loenyes maandag
loeng langs
loere kijken
loeskoen konijn
lofra vrijgezel (m/v)
loge beweren • logest bewering
logne liegen • logno leugen
loik slok
loj lont
loja evenwicht
lokar verhuur • lokare verhuren
lokus grap
lompo lood
lonze (ver)moorden
loo bos
lopreka ree
loq spraak, taal • loque spreken, praten • loque e praten tegen
lordo zwaar • lordouse verzwaren
loroebe vat, ton
los een, 'n
loufeuse louf (e) verliefd zijn (op)
lowoti laurier
loxomok richting • loxomoke richten
lubri bloem
ludoke lukken
luf • liefde • liefje
lug zak
lune edel
lurr stof, textiel
luse (ma lus) lezen
lustre luisteren
lutum klei
luure teleurstellen
luvali moed
ly luw

M

ma - me - mi - mo - mu

ma ik
maan veel • maanmalest meervoud • maanmoes monomoes (ganmoes etf.) allereerste (-hoogste enz.) • maanmoeses meestal • maanmoesten hoogstens, hooguit • maanst hoeveelheid • maanuse vermeerderen, uitbreiden • maanusne meerdere, verscheidene
maaz leuk
machtar mars • machtare marcheren
madiwodo kalender
maf macht
magal vermaak • magale (iemand) vermaken
magir verbazing • magire verbazen; zich verbazen • magirest verbazing
mai wij • main onze • mais ons
majos meester
majtako biljart
mak zoet • makest snoep
makke leggen
makkis specerij
makse betalen
malaje ergeren
male keer, maal
mammon €, euro
malente malen • malentolo molen
man mijn
manana meel
mande • (znw.) vraag • (ww.) vragen
mandonki mevrouw, mijnheer
manmoes = maanmoes, meest
manre wanneer
manus = maanus, meer
mara bitter
marmo waarom
marra waar
mas mij
masen sprei
mate meten • matest afmeting, maat
matta wat
matarra map
maus kat
mauster muts
mauze leiden
mazdos mast
maze room, crème
me (mo, mu, mian) doen
meane maaien
megar laken
mekles mek de laag; de verdieping, etage • meku gelaagd
mekala vlek
mele zingen
melip laken
melje zuinig
melka welk
melt geur • melte ruiken, geuren
mem de letter m
men arm
menne handelen, doen
merpal dukdalf
mers poep • mers! shit!
mesepe vergeefs
mest daad
metse metselen
metsum gerecht, schotel
meu koe
mia wie • mian wiens
mian doende, bezig (teg. deelw. van me doen)
miasto lei, leisteen
miduk dertig
mif fel
miffiliffe snuffelen
migipar venkel
mik vriend(in) • mika vriendin • mikne vriendelijk • miko vriend
mikte mengen
mila wat voor, wat voor soort
milki zacht, mild, teder
mim immers
mimet millimeter
mir vrouw
miran wierook
misch vrede
mise zetten, plaatsen • mise eimonost in elkaar zetten • mise spolai zich inzetten
miverese meegeven, veren, wijken
mo verl. tijd van me doen
moea hoe
moede vermoeden
moem stem • moemule stemmen (muziekinstrument)
moende dorp
Moenimod de HEERE
moentaispare • achterlaten • verlaten
moentau achter
moer dood • moere sterven
moerme mompelen
-moes (uitgang van overtreffende trap en van rangtelwoord)
moezka muziek
moezle zoemen
moezjos hoe dan ook, in elk geval
mogome mopperen
moi hallo, goeiedag
Moi Luxemburg • moiar Luxemburger • moine Luxemburgs
mokke liggen
molara alarm • molarale alarmeren
molde moeder
molke melken
moll kapot • molle slopen; kapot maken
molo mouwloos t-shirt
mom masker • mome vermommen
momet meter
mono één
monog kussensloop
monole verenigen • monolest vereniging
monomoeses eerst, ten eerste
monone (de) enig(e)
monoram eenzaam
monost eenheid • mise eimonost in elkaar zetten
montida framboos
moof rijp
mos mos
moschari kachel
mosik pomp • mosike pompen
most wond
motel mobieltje
motisa gierig
moto vorm • figuur, tiep • motole vormen
mu volt. deelw. van me doen
muf behalve • bats muf boroe niets dan rommel
mukk pop
mukt mengsel, mix
mumm geluid, klank • mumme klinken
musel matroos

N

na - ne - ni - nj - no - nu

na min, minus
nabak hut
nabidike aanbieden
nag slang
naive moedervlek
naj dank
nakke knippen
nakkre knipperen
name • naam • noemen
napit wip • napite wippen
napoer buur
nark erg, akelig
nart raad, advies
nas daar
naselje karton
nast broer/zus
naudoke ontspannen
naure glimlachen
nautine nodig
navink wenk • navinke wenken
naxles nax het recht
naze varen
nazze • redden • reserveren
-ne (uitgang van bijvoeglijk naamwoord)
neati eigenlijk
nede onder • nedeeros negatief (getal; foto) • nedegrompio metro • nedestaudi ondersteboven
nefele nevel
neices, neises tussen
ner na • nercad, nerkat daarna • nermoes naast • nerpar volgeling • nerpe volgen; nagaan
nesfuse zich bevinden
nest bed; nest • de nest uit bed
neum noot (muziek)
neumoresnetne Esperanto
nide genieten
nief mes
nieg rook
nieme ruilen
nilte morsen
nilva nut • oe eus eros nilva de cad je hebt er niks aan • nilvane nuttig
nim geest
nin (= niten)
nis hier
nisch rivier
nit zich • niten haar/zijn, van haar/hemzelf, van zichzelf
nitisauke het uithouden
njarbe hurken
no- on-
noal riem (kleding)
node uitnodigen
noeiola ruimte; (het) ruim • noel ruim
noere • alleen, slechts • pas, eerst
noerne roeren
noex noot (vrucht)
noimisch onvoldaan, ontevreden
noiti vocht
nok nog
nom rail
nonisne afwezig
Norba Noorwegen • norbar Noor, Noorse • norbane Noors
norde doorn
nosa meisje
nosoebemoemoe onherstelbaar
nostimo lekker
nots stok
nover navel
nu de letter n
nude minuut
nukus oever
numenio nummer
nuuma paprika

O

ob - od - oe - og - oi - ok - ol - om - on - oo - op - or - os - ot - ov - ox

-o (uitgang van verleden tijd)
obba kan
oblast terrein, gebied
obro onderbroek
oda kamer
ödar (ook eudar) radio
odra, (hemme i~ da) in de kost zijn bij • odrar kostganger
oe men, 'je', 'ze'
oeble vergeten
oebi (vero.) waar is, waar zijn
oegoejar rechter • oegoeje oordelen
oel, oele ui
oemanto invloed
oepse opletten • oeps!, oepsa! let op!
oerf vroeg
oerre (hard) werken, zwoegen
oes zou(den)
oest • (voorz.) tegen • les oest het scherm; de bescherming • oestate beschermen • oestdio weerzin, tegenzin • oestrivo tegenover • oesttenere tegenhouden • oestwoitne stroomopwaarts
oetar uier
oettuk negentig
oguli villa
-oi (uitgang van wensende wijs) 'moge…'
oi och
oinos wijn
ois oog
oix, oixi rechts • oixne rechter • eoixi rechtsaf
okof boor • okofe boren
olitse scheren
-olo (geeft middel of werktuig weer: olitsolo scheerapparaat)
oloe koud
oloena koelruimte
om de letter o • om stifosi de letter ö
omentume aanmerken
omse missen (trein, bus...), niet raken
onan negen • onanere rekenen
one zullen
oniskidea pissebed
onoma zelfstandig naamwoord
onst toekomst
onte luiden, rinkelen
oo 1. eiland   2. verl. tijd van euse hebben
oogstand augustus
oor jaar • oorjoel verjaardag
ooze gonzen
opera open • operale openen
operato openbaar • operatost openbaarheid
operlo sleutel
opise beheersen, domineren
optan acht
or of
orao arend
orobos erwt
orpabe behandelen
orri (vero.) oost
orupa mees
orvene erven
osch speld
osko fakkel
ossi ook
ossiba noch
ost • les ost het verleden
ostor havik
otemetus zolder
otter ander, andere • otters anders • otteroma andersom
ovas oorlog
ovre bedekken
oxi (vero.) west

P

pa - pe - pi - pj - pl - po - pr - pu - pw - py

pachunos priester
paga gezicht
Pago Treant Drenthe
pait scheel • paite loensen, scheelzien
pakoeng pak, verpakking • pakoenge verpakken, inpakken • pakoengest verpakking
palbi paars
palda bleek • paldar blanke, witman, bleekgezicht
palie [palië] worstelen
palse rijzen
pam man
pamas flatje
panapo pinda
panazol limonade
pank veld
pantak pink
paral paardebloem
pareis paleis
Parispea Parijs
parr deel, stuk • parre (ver)delen
partali paard
pastaze persen
pastif geduld
pata hoef
patare zich verheugen op • ma patare cad ik verheug me er op
patat post
patito plat, vlak
patram vleugel, wiek
pats klap • patse klappen; applaudisseren
pattra rots
patwe voeden • patwest voeding
pava water
pavi pasen
pe gaan
pebroeg loopplank
pee paal
peetat e-mail
peg pil
peina honger
peko computer • pekosaba beeldscherm
pelo pols
peloesia bloes
pelomoa familie • pelomoar familielid
pelto lip
pelu kussen
penn! hop! hup!
pentsch scheef, schuin • pentsche hellen • pentschest helling
pepoe pasje; paspoort
peppre prikkelen
pera misschien
perde gordijn; doek (toneel)
perdeze prijs (handel)
pergain palm
pero veen
perruschum papegaai
perset fantasie • persete fantaseren
pertse ervaren
pest gang, loop
peswa plotseling
peswote ontploffen
petse spatten
pi de letter p
pian teg. deelw. van pe gaan
piata afwas
pidivo depressie
piha erf
pikarnik oven
pikke prikken • pikku geprikkeld, kribbig
pila ploeg, ploegschaar • pilaje ploegen
pilitsa pees
pin den, denneboom
pinasch puin
pinati spinazie
pinda vijf
pinire piepen
pinkel tel; getal; aantal • pinkele tellen • pinkeleppe talloos, ontelbaar
pinsk watersnip
pioes- mis- • pioestosak misbruik • pioesstesti misstanden • pioesprandest misverstand • enz.
piper bus, autobus
pipite loeren, gluren • spioneren
pir • pier, worm • zeepier • pire wurmen
pischte proppen
piskeloen (vero.) maart
piter zuil, pilaar
pitet eiwit, proteïne
pits punt, top
pitsch vagina
pitta pizza
pizel • motregen • het motregent, het motregende, enz.
pjan plan •  euse pjan (e) van plan zijn (om)
plakoe vlaag
plano plastik
plarre fladderen
plasenn plein
plaude klotsen
plegar vouw • plegare vouwen
ples dankzij
plesk plas (regen, vloeistof)
ploera flodder
plop kurk • plopdrax kurketrekker
plota bal
ploteos vloed
pluppe floepen, glippen
po verl. tijd van pe gaan
poa plant
poe door(heen)
poehelin telefoon
poeke vloeken
poem gedicht
poemar dichter
poemiste proeven
poenoes fruit
poeproesche doordringen
poestinik pruim
poet put
poeveikru doorweekt
poimen herder
poka beker
poke 't verdommen • pokus! verdomme!
pokoen figuur, vorm
polke fietsen • les polke de fiets
polop effekt, resultaat, uitkomst
polst vilt • polstblozef (ook polssef) tuinboon
pom baas m/v • poma bazin • pomo baas
ponkele spellen
poradit vergadering • poradite vergaderen
porm prei
porre aanstoten
portaka (vero. portakale) sinaasappel
pos- her-
poschoe plaag
poschwe plagen
posilevriest reünie
posso weer, opnieuw
posudit uitleg • posudite uitleggen
poteotane wankelen
pove kunnen
pozorre stoppen, stilhouden
pra dochter
pragemen per ongeluk
prakk park
pram rits • prame ritsen
prande begrijpen
prasar natuur
pratt parel
prazne drassig
prenke verstaan
prell plak
prent verstand
prients koningskind • prientsa prinses • prientso prins
prikk ster
pril lente
pripri krekel
prise (teg. tijd pris) nemen, pakken
pro zoon
proeak kamp
proesche dringen
proje telen
prosesse proberen
protas ekster
prusku boterbloem
pu volt. deelw. van pe gaan
pudale poseren
pulvis poeder
purch groep
puton spuug • putone spugen, spuwen
puunjon pond
pwnws fruit
pych lekker puh • ma pych eus les maanmoes ik heb lekker de meeste
pyrba pijp, buis • pyrbro boxershort •

Q

q kont
qoe de letter q
qua zeg eens
quadi (vero.) beha
quafe scheppen, creëren • quafio schepper
quan luid
quek stap • queke stappen
quesse zeggen
quia heggemus
quidam een zeker(e), een of ander(e), een bepaald(e)
quinta station
quisbre kruipen
quit potlood
quo verl. tijd van quesse zeggen
quode rijden • quodege toeren
quom ik zei
quot hij/zij zei

R

ra - re - ri - ro - ru - ry

ra rij
rabetisuch gereedschap
rabo rover • rabon roof • rabone roven
rache maken
rade schaven
raff nep
raft gedachte
rage roeien
raihan ree
rambe reageren
ranja oranje
ranjele reiken
rapp snel
raxe rekken
razaf reep, strook
rech nek
rede wiel
redjina zanglijster
reduk twintig
refaste last hebben van
rein • regen • het regent, het regende
rekk elastiek • rekknallolo katapult
rengoz rafel • rengoze rafelen
repoise strepen • repoisu gestreept • repo streep
repp ruzie
resch de letter r
reste blijven
rett recht • retteliane rechtlijnig
rez naad • reze naaien
richne gooien
riditsch ridder
ries beek
rilid verlangen (znw.) • rilide verlangen, verlangen naar
rilischte sluipen
rim vacht
rimine rillen
rinn maanzaad
rioeke koken, bereiden
risti rijk
ritove voorraad
rivo over, overheen, betreffende • rivofan overhemd • rivojane bewaken • rivoleche verplaatsen, overplaatsen
rivolo voorbij
rivoloque vertalen • rivomaan overvloedig • rivone overig • rivoparre verdelen • rivorest rest • rivotala overkant • rivotoe overall • rivotrare oversteken
rivottere veranderen
rivowes overigens
rivoyesnas overmorgen
ro ja; wel
robal werk • robale werken
roban lijsterbes
robe missen
robigo roest
rode knagen
roere sturen, geleiden
roese ruisen
roetscha rood • roetschibraska rode kool
roezj rotzooi
roini ouders
rojan rose
rola rol • rolade rollen
rome vergelijken
ron dier
rons ring
rosa roos
rosch nou, nu, welnu, wel,…
rotepite biet
rotsch boos
rubbe remmen
rubus braam
rufe denken; denken aan • ma rufe lis ik denk aan je
rundu naald
runine • ruïne • wrak
runne kogel
runo stier
rusp rups
russel bevel • russele bevelen
ruza ruw
rytschin (de) politiek

S

sa - sc - se - sf - sh - si - sj - sk - sl - sm - sn - so - sp - st - su - sw

saar geel • saarkowek cake
saba televisie
sabakole spannen
sabe slaan
sabri onherbergzaam
sach, sachar suiker
saf sloot
sag struik
sagiloen (vero.) december
saia rok
sak steen
sakanuus tegemoet
sakeli, sakeli wijs
sakrog techniek
salder toestand, staat
sale mogen
salte (op en neer) springen
sam de letter s
samahs juni
samdo slank
sammek sommige
sams tent
sanispo sleedoorn
sannet terras
santi schakel; link
sapt slag
sara cijfer • saralak cijferlijst, rapport
saral spot • sarale spotten
sarfe slurpen
sark vet
sarki ongeveer
sarois ernst • saroise ('t) menen • saroisne serieus, ernstig
sarp slak
sarrige staren
sate tonen • satme (ats) iets voordoen
satsch onzin
savoperto best wel
sawoi sauna
schabe mond
schak straat • schakokof drilboor
schalla schaal
schalse sjouwen
schampe verloven
schare menigte, massa
schark lading, vracht
scharke laden
scharmoe reus • scharmoene reusachtig
schebran rank, tak
schele schelen
schell situatie
scheu meer
schiffolle schuifelen
schilwa fitis
schine machine
schire scheuren
schivole schuiven
schloech yoghurt
schlova slaaf
schobre schokbreker
schofi alvast
schom schimmel • schome schimmelen
schot, schott (vero.) koffie • schotschine koffie-automaat
schregare schenken
schtoed kous, sok
schtriye spreiden
schull zelfs • schull sla ook al, zelfs als • schull optan oori wel acht jaar
sei vol • seie vullen • seilivesche opscheppen, serveren
seke • snijden • snerpen
sektol gok • sektole gokken
sela psalm
selbe slepen
seldime snakken naar
seluutsch stof, materie
sen sein, teken
senes zoëven, zojuist, zonet
senolo seinpaal, seinlicht enz.
sent gevoel • sente voelen
sepcial speciaal
ser soort
serf vers, fris, nieuw
serrja merel
sertsch rite, ritueel
sertuwe schelden
seuand april
sevon schade
sewen west • sewenne westelijk
sezana rogge
sfakia schoot • isfakia op schoot
shoon al, reeds • shoonshoon allang
si zeven
sibenik schemer
sibrali spruitje
sich september
sichir midden; middel • sichirai gemiddeld • les sichiraist het gemiddelde • sichirkof middernacht • sichiryes middag
siduk zeventig
sifoes genoeg
sigma spons
sil stil
siliogu, silu rozijn
simil schijn • simile lijken, schijnen
sine pissen
sipp spier • sippfratt massage
sir door, d.m.v.
siram toneel
sixn bliksem
sjerre schuren
sjon begin
sjoupam twijfel • sjoupame twijfelen
Sjtsjts Polen • sjtsjtsar Pool • sjtsjtsne Pools
skape ontsnappen
skarola andijvie
skem stoel
skende klimmen
skene geboren worden • skenter geboorteland
skio links • skione linker • eskio linksaf
sklok klad • sklokboch kladblok
skoe schok
skoefoes muesli
skoer donker
skoewe schokken
skopf haar
skorpiloen (vero.) november
sla • als, wanneer • als, indien • dan (bij vergelijking) • tat (gak) sla bats zo (groot) als een…
slahs november
slatta lat
slayor alsof
slecì [ slɛʃ ] jongen (meerv. slecin [ 'slɛʃɪn ])
sleido slordig
slipre slingeren
sloe lui • sloeie luieren
slorp darm
slott kasteel
smik gel, gelei • smikne kledderig
smitug smaak • smituge smaken
snakke opscheppen, snoeven
snark streng
snoe sluw
snoen laat
snowi schuim
soba seizoen, 'het seizoen'
soe terug • soebeme herstellen, repareren, goedmaken • soegeste weerkaatsen
soesch stam
soekike omkijken
soel dronken
soeloq antwoord • soeloque antwoorden
soena zon • soenayes zondag
soepe (soepo, soepu, soepjan) teruggaan
soequess antwoord • soequesse antwoorden
soeram tunnel
soesi zorgen, bezorgdheid, kommer • soesine zorgelijk; bezorgd
soesuse zich herinneren
soeyesnas gisteren
sokla klasse
solduk vijftig
solke spoelen
solmo strik
somme masseren, kneden
son tien
sondine aanhankelijk
song zoen • songe zoenen
songyes woensdag
sonkla zool
soon reeds, al
sorne sieren, versieren
soroes standaard, model
sosak slurf
sotimo soms
souve zuchten • los souve een zucht
spaze breken
speige splitsen • speigoes splitsing
sperk vonk
spiorgo sperwer
spjal spreeuw
spjange overgeven, braken
spoi wulp
spolerate spartelen
spoot slagroom
spola schouder • mise spolai zich inzetten
sproene stinken
sproet spuit
spuus brok
stach gast • stachhemme logeren
stai thee
stak laag
stakimeo staal
stalm sterk
stanit plaat
stanta tas
ste staan
stek stapel, hoop • stekhus flatgebouw
stelloek ritme, struktuur, regelmaat • rooster, tabel
stenjo haak • stenjole haken
stern begin • sterne beginnen
stepsch lijm • stepsche plakken, lijmen • stepscholo lijm
sterpe spatten
stest stand
sti pad
stian teg. deelw. van ste staan
stief spijker
stifos stip, punt • stifosi umlaut-teken; trema
stigo steel, stengel
stikk steil
stimp kamer, vertrek
sto verl. tijd van ste staan
stoe! nou dan!
stokise • stoep • trottoir
stombe stemmen (kiezen)
straai sneeuw
stradar iedereen • strade elk, ieder • strades telkens
stran vreemd
streak extra
striep stroop
stroes storm
strogi strak
stromat matras
stromple struikelen
stu volt. deelw. van ste staan
stull dom • stultar stommerik
sturneyes zaterdag
stutte springen, opspringen
stweg straf
sufoka benauwd
sukofante bedriegen
sulto sandaal
summoke stikken
sunne offer
sunt jammer
surazale schatten
suse weten • susvolne nieuwsgierig
suur zeker
suus toetje
swanton stout
swibe zwerven
swiid geweldig
swite spelen, afspelen (muziekapparaat)
swojasta stern

T

ta - tc - te - th - ti - to - tr - ts - tu - tw

ta zij
taas nieuw • taasest nieuws • taasvolne nieuwgierig
tabede trappen, schoppen
tacht wens
tadel tegel
taffe 'schieten', snel bewegen
tak vuist
takanaf scherp
takos goedkoop
tal touw
tala kant, zijde, rand
talage smeken
talala zijkant
talam troost • talame troosten
talanke kantelen
talavalst gangboord
tale zulk, zo'n
tall touw
tam met, samen met
tamlafe meevallen
tamme (tammo, tammu, tammian) meedoen
tammete veroveren
tampe (tampo, tampu, tampjan) meegaan
tan haar (bz vnw)
tanas die, eerstgenoemde • tanis deze, laatstgenoemde
tanjak spar
tanke tuffen
tape geven
tapp kraan
tarare verschrikkelijk
tarasola sentimenteel
tark • kam • hark
tarne eeuwig
tas haar
taschbale verdienen
tat zo
tatala zijkant
tatel sesam
tatke zodat • tatsla zoals
tau de letter t
tauloen (vero.) mei
tchepe (de) er genoeg van hebben
te hij
tef sap
tekarke knetteren
tekke plukken
telch glad • telche glijden • telcher glibberig
tem sla
temef slap
temih gil • temihe gillen
tempin nogal, tamelijk, vrij
tempranem pinksterbloem
tems schoon
ten zijn
tenere houden
tenas die; eerstgenoemde • tenis deze; laatstgenoemde
tenk ding
tenkyes dinsdag
tennit brutaal
tentoa aandacht
ter aarde, land • terana land, staat
terbe timmeren
terelma (vero.) aardappel
terfonst landschap
tert kledingstuk • terte kleden
tese (het) haar
tet (spreektaal) vier
thus dus
ti zij (meerv.)
tibbe kerkuil
tidepre verrassen
tiduk tachtig
tiem uur • tiem fus optan het is acht uur • i tiem optan om acht uur
tifa t-shirt
tig tig
tikisam schotel
tikle tintelen, prikkelen
tiktak sekonde
tiligam smokkel • tiligame smokkelen
timisch scheenbeen
timm blaar
tin hun
tinno sorry • tinnowe verontschuldigen
tintale rinkelen, rammelen
tippe typen
tirose roosteren
tis hen, ze
tischale schakelen • tischalolo schakelaar
tiz lauw
tizive bezoeken • les tizive het bezoek
tobel waterval
tocht seks
toe • al, alle • heel • toebalech nergens • toeduo beide(n) • toegurize omdraaien
toele teen
toelech overal
toemoefka pantoffel
toemono alleen
toemos besluit • toemose besluiten
toeske stoten
toest alles • aitsch toest van alles
toez zout (znw)
toezam hartig
toezim altijd
toezne zout (bnw)
tok toch
tokiri parkiet
tokorope betekenen
tokro jawel
tolkot karbonade
tomer boot, schip • itomer aan boord; per schip
tomme raken
tonan bewijs • tonane bewijzen
tonkar verhaal • tonkare vertellen
tonn punt, score
topike gaan over, als onderwerp hebben • topikus 1. onderwerp (van boek, lezing enz.) 2. (lijdend) voorwerp (taalk.)
topp pan
toppkukk pannekoek
tora rat
torcrast rek, stelling
tordom donder • tordome donderen • tordome bat! dondert niet! • tordomyes donderdag
torino, fuse ~ het eens zijn • ite ~ het eens worden
torlo klok, bel
torr kever
torsoek taxus
tos staart
tosak gebruik • tosake gebruiken
tosonure citroen
tostif pin
tote heel; al • totemono alleen • totesabe in elkaar slaan • totest alles • totezim altijd • toti allen totor taart
traa strand
traka meerkoet
tramp boer
trang smal, nauw
trari dwars
tras (znw) weg
traus weg, verdwenen; op • les edest fus traus het eten is op • trausbage verbranden • trausbanuode verbannen • trausetsoe, traus et soe heen en weer • trauspe weggaan
trauze slijten
trave fruit
traziti zodra
treantar Drent • treantne, treantene Drents
trelma aardappel
trepe heerlijk
tress reis
trikk trui • trikke breien
trilena vlecht
trio drie
tris snot • trisdrum zakdoek
trize horen
troe gat
troez lawaai
trofehe prijs, trofee
troibe drijven, voortdrijven
trope brengen
trora proefwerk, examen
trouze slijten
trukk trommel, drum
tscha tja
tschallek tjalk
tschef tjiftjaf
tscheli vink
tscherk stang
tschien elektriciteit • fuse sei de tschien onder stroom staan
tschiës (ook) tschies [ 'tʃiɛs ], tschiyes einde • tschiëse eindigen, beëindigen, ~ ats ophouden met iets • tschiësonanere uitrekenen • tschiësvrie uitkomen, terechtkomen
tschilef geluk
tschinitschek karekiet
tschipine knijpen • tschipinolo knijper, klem, tang
tscho drie
tschobran tak
tschoemp belasting
tschoeze schudden, schokken
tschonst eenderde
tschopse opschieten
tsine storen
tsip stof, textiel
tsoil hemels
tua oost • tuane oostelijk
tucht sexy
tugge laars
tuk modder
Tule IJsland
tum munt • katum, tumi geld • tumizjemle kollekteren
tundol studie • tundole studeren
tunke ineenduiken
turga wonderlijk
tus dus
tuse zwijgen
tuun dun
tuwe slijm • slijmen
twagila dweil • twagilale dweilen
twii show
twokla sigaret

U

-u uitgang van voltooid deelwoord
ua de letter u
uba uil
uche hoesten
uda vlees
udam adem • udame ademen
ues [ 'yɛs ] zeep
ugim naakt
ujale loven, prijzen
ukap hoed
ukuke kraaien, kukelen
ulabiris olijf
ulappe vinden, van mening zijn
ulk bunzing
uma bloed • umale bloeden
umibi kramp
ure ontstaan • cad ure de les oloest dat komt van de kou
urts bouw
-us uitgang van vergrotende trap
utschi eindelijk
uu volt. deelw. van euse hebben
uunder wonder
uute uit
uutefroete opgraven
uutejarki buitengewoon, bijzonder • uutejarkist bijzonderheid
uuteloq uitspraak
uutemande ondervragen
uutetrope rondbrengen
Uzuuz Turkije

V

va - ve - vi - vl - vo - vr - vu

vabe beven
vagge vader
vagle (teg.deelw vaglian) zingen
vajate waaien
val was, wasgoed
valde gaan
vale wassen
valee golf • valeehe golven
valst gang • vald hes valst ga je gang
vamalos veilig • vamalose beveiligen
vams beeld
vanach oud
vang school • vangpurch klas
varjo schaduw
vasaj verschil • vasaje verschillen, afwijken • vasajian afwijkend • vasajmoto variant
vatal vlas
vatiand december
vatt bes
vaxjo waarde • vaxjone waard
vee de letter v
veer (vergroot en/of versterkt het volgende bijv.nw., zelfst. nw., bijwoord of werkwoord) • heel, zeer: veer vamalos heel veilig • veer sotimo heel soms • hevig: los veer stroes een hevige storm • stevig: los veer essark een stevige duw • fel: ma bandasso veer ik verzette me fel - enz.
vegles koor
veikre weken
veilana winkel • veile verkopen
vel zeil
velat volk
velbroeg surfplank • vele zeilen
ven kar, wagen
veres veer, vering • verese veren
vergonse zich vergissen
verne echt, waar • vernemauge waarschijnlijk • vernest waarheid
vez bad
viak schroef • viake schroeven
viola viooltje
vlaai (vlaamse) gaai
vlop stof, vuil
vogoro bikini
voi (vero.) boter
voinohs oktober
vokam roep • vokame roepen
vole willen
vompa voorzichtig
von buik
vonot vorst • vonote vriezen
voo ei
vor vóór (plaats)
vore zien
vorine bekennen, toegeven
vormis voorstel • vormise voorstellen, een voorstel doen • vormise (nit e atar) (zich aan iemand) voorstellen • vormisest voorzetsel
voroemoe zichtbaar
vorte vinden
vozze (vero.) bidden
vrie [ 'vriə ] komen
vurst volledig, kompleet

W

wa - we - wi - wo - wu

waffe blaffen
waikroe wreed
wakana pakhuis, voorraadkamer enz. • wake bewaren
wakilare waggelen
wale waden
waln zalf
walt woud
waluna war, verwarring • walune verwarren
wanawide ouwehoeren
wanga web • wangana website
want woord
war been
was wand • waskait behang
wasone onthouden
wau de letter w
wawa beha
wede weide
weke jagen • vervolgen
weksel umlaut (klank)
wentekro nou eenmaal
werole gewelf
werre puzzel
wessanar arts, genezer • wessane genezen
wessi wc
wet jas
wetske konserveren • wetski konserven
wi klein
wiad! nee maar!
wide zeuren
widjewe bungelen
wiel al te
wifel wafel
wigjone verwennen
wigurize kronkelen
wike beseffen
wimp penis
winapite wiebelen
windet wapen, blazoen
wine enigszins
wirkeloen (vero.) september
wisbre wandelen
wisch mist
wiske wiegen
wisse verbergen
wistreham ouderwets
wit lettergreep
wiyare zich verwonderen
woeplei (me)juffrouw
woesch wind
wogene wegen
woiluutsch vloeistof
woit stroom
wolisa wilg
wonke weigeren
wontos wissel • wontose wisselen
worin wal
worse winter
workole wrikken
wosk vest
wutai bewust

X

xi de letter x
xina keuken

Y

yes dag • yesnas morgen • yesnis vandaag • yespinkel datum
yespont hoofd, kop
ykysene smachten
Ýo Ýo (andere, reeds lang vergane taal uit Joeps keuken, waaruit een enkel leenwoord in het Plattegonisch is overgebleven.)
ypreve ader
yps (< Grieks ‘ypsilon’) de letter y
yrimoa geelgors

Z

za - ze - zi - zj - zo - zp - zu - zw - zz

zabulas duivel
zache zaak, geval
zacheuse tam te maken hebben met
zaf zaad
zain hersenen
zake zoeken
zakjest, zakoj gebeurtenis • zakje, zakoje gebeuren • zakojest gebeurtenis • zakojwant werkwoord
zakonosik wetenschap
zal lap
zambak woestijn
zambi zielig
zanstele zich aanstellen
zaps deftig
zara zeldzaam • zaras zelden
zaroezip verschijning • zaroezipe verschijnen • zaroezipest verschijnsel
zaryke verlossen
zatto zoldering, plafond
zazo weekend
zebbe vaag
zeiki pienter, schrander
zelar zilver
zella zand
zem dan, in dat geval
zene zenden, sturen
zent zuur
zero cirkel • zeroflep helikopter • zerokike rondkijken • zerole cirkelen • zeromauze rondleiden • zerotrope rondbrengen, distribueren
zesp spannend
zet de letter z
zia druk, bezig, bezet
ziat haast • euse ziat haast hebben • ziatne haastig
zibe zwellen
zief licht (ook van gewicht) • les zief het licht
zigo stemming, humeur
zilts dorst
zim tijd • zimes tijdens • zimnas dan; toen • zimnis nu • zimnas zimnis nu en dan • zimsat horloge, klok, uurwerk
zinron zoom (textiel)
zisch nou ja; laat maar; afijn • ab zisch maar ja • bem zisch nou ja, vooruit maar, nou goed dan
zja nat
zjemle verzamelen
Zjlarotimov Rusland • zjlarotimovar Rus • zjlarotimovne Russisch
zjoerdeng voorstelling, optreden, presentatie
zjoure verdwijnen
zoelef opstand
zoenoe druif
zogre wijden
zor moeilijk
zovar gezond
zowele diamant
zowist amen
zp soep
zujenke zijde
zumari deeg
zundes helaas
zunt jammer
zwardon zwanger • zwardon ient les haf hoogzwanger
zware dienen
zzp soep