naar de Voorpagina

Joeperoog

Zinsbouw
Domurts

Algemeen

In taalkundige termen is Plattegonisch een SVO-taal.
In gewoon Nederlands: een Plattegonische zin vertoont gewoonlijk deze volgorde:

onderwerp - gezegde - voorwerpen

Preciezer gezegd:

(bepaling) - onderwerp - (bepaling) - gezegde - (bepaling) - voorwerpen - (bepaling)

In het Plattegonisch staat het hele gezegde bij elkaar.

Ti aisparo pe tes ebaile. Ze lieten hem naar de stad gaan.
Mai baschomo uuteme main weti. We hoefden onze jassen niet uit te doen.
Te bat on pove vorte nin rojan vogoro. Hij zal z'n roze bikini niet kunnen vinden.

Bijwoorden en bepalingen kunnen tussen onderwerp en persoonsvorm staan. Dit geldt ook voor nit zich.

Les erenosi dipar koscho e les pavatala. De jongens renden gauw naar de waterkant.
Ta ab vorto bats muf boroe. Ze vond echter niets dan rommel.
Ti nit vale i les ries. Ze wassen zich in de beek.

Ook zinnen met een vraagwoord staan meestal in deze volgorde:

Mia eus griffu rivo lesnis tschilefzakar? Wie heeft over deze gelukzoeker geschreven?
Moea lin eus povu me cadnis? Hoe heb je dit kunnen doen?
Ner moeamaan nudi ma posso sale pe dosse? Na hoeveel minuten mag ik weer gaan zitten?

Na bepalingen en aanhalingen komt geen inversie (omkering) voor.

Ner los oor ti salo trauspe. Na een jaar mochten ze weggaan.
Tinno, Boris quo. Sorry, zei Boris.

naar boven
eaudi

Omkering

De persoonsvorm staat dus meestal achter het onderwerp. Maar omkering kan voorkomen in korte zinnen waarvan de persoonsvorm een vorm van fuse is.

Mia fus cadnas?
Mia cadnas fus?
Wie is dat?
Nas fus les soena!
Nas les soena fus!
Daar is de zon!

naar boven
eaudi

Vragende zinnen

Er bestaan twee soorten vragende zinnen:
- zinnen met een vraagwoord: ('Wat…')
- zinnen die zondermeer vragend zijn: ('Doe je…').

Zinnen met een vraagwoord staan meestal in de standaard-volgorde:

Marmo ti1 eus vokamu2 mais3? Waarom hebben2 ze1 ons3 geroepen2?
Moea lin1 pove quesse2 cadnas3? Hoe kun2 je1 dat3 zeggen2?
E mia te1 griffo2 lesnis poem3? Voor wie schreef2 hij1 dit gedicht3?
I mila joxli lesnas katenk1 fus2? In wat voor flesje zit2 dat spul1?

De volgorde in andere vragende zinnen is:

hele gezegde - onderwerp - voorwerpen

Eus povu kunrache1 lin2 lis boch3? Heb1 je2 je boek3 kunnen afkrijgen1?
On vole heste1 te2 mas3? Zal1 hij2 me3 willen helpen1?

naar boven
eaudi

Ontkennende zinnen

Bat 'niet' staat gewoonlijk vóór de persoonsvorm. Daarmee wordt de zin in zijn geheel ontkennend gemaakt.

Lesnas husili bat euso los otemetus. Die huisjes hadden geen zolder.
Ma bat salo uuteme man trikk. Ik mocht mijn trui niet uittrekken.

Maar bat kan ook ergens anders staan, namelijk vóór het woord dat ontkend wordt.
De zin krijgt een andere betekenis als bat op een andere plaats staat.

Lesnas husili euso bat los otemetus. Die huisjes hadden geen zolder (maar wel een schuurtje)
Ma salo uuteme bat man trikk. Ik mocht niet mijn trui uittrekken (maar wel mijn jas.)
Ma bat prosesso oestteneret tes. Ik probeerde hem niet tegen te houden. (Ik deed geen poging om…)
Ma prosesso bat oestteneret tes. Ik probeerde om hem niet tegen te houden. (Het kostte me moeite om hem niet tegen te houden.)
Ma prosesso oestteneret bat tes. Ik probeerde hèm niet tegen te houden. (haar wel)

naar boven
eaudi

Volgorde bij de nodende wijs

In de nodende wijs kan de persoonsvorm vooraan staan, zonder dat dit betekent dat het een vraagzin is.
Het kan zelfs voorkomen dat het gezegde niet bij elkaar staat.

Lin kompra erdius kowekili. Je zou minder koekjes moeten kopen.
Kompra lin loebri emas. Als je nou 'ns bloemen voor me kocht.
Pa mai tekke loebri.
Pa tekke mai loebri.
Mai pa tekke loebri.
Laten we bloemen gaan plukken.

naar boven
eaudi

Nominale zinnen

Het Plattegonisch kent net als het Latijn en Grieks zg. nominale zinnen. Dat zijn zinnen waarin een vorm van het werkwoord zijn de persoonsvorm is (of liever: zou zijn geweest), maar wordt weggelaten. Nominale zinnen komen in het Nederlands niet voor; in het Plattegonisch vooral als bijzinnen.

hoofdzinnen
Oes los kwiem sifoes? Zou een kwartier genoeg [zijn]?
bijzinnen
Mai janito sla les koefas kun. We werden wakker toen de koffie klaar [was].
Te ertschmoes foneus brakii di trauzu. Hij draagt 't liefst broeken die versleten [zijn].
Urtsa mai los torno, de di les pits eikailo. Laten wij een toren bouwen, waarvan de top tot in de hemel [reikt].
Ta oo los daf von, oe povo vore ke shoon posso los genli i. Ze had een dikke buik, je kon zien dat (er) al weer een kindje in [zat].
Ti beit suso matta tiem. Ze wisten nooit hoe laat het [was].
Te vrio euutes i los rojan vogoro, case jerm dilan. Hij kwam naar buiten in een rose bikini, want [het was een] warme zomer.

naar boven
eaudi