naar de Voorpagina

Joeperoog

Abisko

 “ Ik schrijf je, Barend, vanuit treinen die me door Noorwegen en noordelijk Zweden naar Finland voeren.
Het is een wonderlijke ervaring, hoe seizoenen in dertig minuten voorbij kunnen gaan!
Ik ben vaak in de Alpen geweest en ik heb wel eens beschreven hoe ik bij een sneeuwplek stond, een smeltende sneeuwplek op een helling. Daar kun je op tien, twintig meter de winter zien overgaan in de zomer. Door de sneeuw boren zich de alpenklokjes, een meter verder staan wilde crocussen, twee meter verder de andere voorjaarsbloeiers, en na twintig meter is het al volop zomer.

Hier in Noorwegen maak ik hetzelfde mee, maar dan in het groot. De trein rijdt tussen honderdduizenden bomen door, sparren, berken. Ze worden steeds kleiner en dunner naarmate de trein noordelijker komt. Daarbij: we moeten een soort pas over, in ieder geval een hoogvlakte, daar kruisen we de poolcirkel. We komen niet alleen noordelijker, maar ook steeds hoger boven zeeniveau. De bomen die het langst standhouden zijn de berken. Nee, het zijn geen bomen meer, het zijn struiken, kromgegroeid in een bar klimaat, gegeseld door negen maanden winter per jaar.
Barend, de tijd loopt hier achteruit! Hoe hoger de trein komt, hoe jonger de blaadjes aan de berkestruiken. Tenslotte, daar waar de sneeuw nog in grote plekken verspreid ligt, zitten er alleen nog maar knoppen aan. Schijndode bruine kromme rotboompjes in een grijs steenlandschap met sneeuwvelden.
En afgezien van een symbolische stop op de poolcirkel rijdt de trein maar door en door, en komt er schijnbaar geen einde aan deze ruige vlaktes. Aan de horizon, niet eens zo ver weg, staan de witte reuzen; bergen van hooguit vijftienhonderd meter, maar wit als de Jungfrau. Hoe is het dan mogelijk dat op dat moment een dikke hommel buiten voor het raampje van de trein zweeft…?

Een dag later. Ik rijd van Narvik naar Boden. Van Narvik naar Riksgränsen bovenop de bergpas is het pakweg twintig, dertig kilometer, maar de trein rijdt van zeeniveau naar hartje winter. Nog een keer mag ik me verbazen over het achteruitlopen van de seizoenen, van blad, via knop, naar kaal.
En dan wacht me bij Abisko nog een verrassing: de meren zijn nog praktisch dichtgevroren, het ijs is net begonnen te smelten. IJsvlakten temidden van sneeuwvelden, en dat in juni. Een wandeling zou voor de helft over sneeuw voeren, voor de andere helft over modderige paden, want alles is nat van het smeltwater. Mooi? Nee dus. Niks bloeit, alles is bruin en grauw.
Ik betreur het dat ik nu verder 'moet' — ik heb nu eenmaal afgesproken met vrienden.
En terwijl in mij het voornemen begint te ontstaan om hier eens terug te komen, zie ik een zwaluw neerstrijken op het water van een half-ontdooid meer. Zwaluw? Die neerstrijkt op het water? Zo noordelijk en hoog? Het zwemt als een waterhoentje verder, en dan is de trein alweer verder gerold en op dat moment besef ik: die zwaluw, dat was dus een grauwe franjepoot…

Nu staat mijn besluit vast. Wanneer, weet ik niet, maar ooit ga ik terug naar Abisko. Ooit stap ik daar uit de trein. Lopen.
Tot gauw,
Joep ”

naar boven