naar de Voorpagina

Joeperoog

Afscheid van de Betuwe

Vogels kijken, zegt Barend, de godganse dag door een verrekijker loeren, en achter schepseltjes aanhollen die steeds weer wegvliegen.
Och, zeg ik, turend door mijn nieuwe kijker.
Barend probeert te zien waar ik naar kijk. We zitten op een krib aan de Waal. De zon hangt rood boven de horizon; het was een frisse, heldere herfstdag vandaag. Een mooie dag voor een afscheid, voor een laatste keer aan de Waal. Morgen rijden mijn spullen, mijn bed, mijn kasten, mijn piano — en ik — naar Drenthe.
Ik hol dus niet, zeg ik.
Nee nee. Héél stil zitten, zegt Barend.
Ja, zeg ik. Op één plek. En ik kijk naar één plek, één vogel. Je richt je aandacht op één ding, die ene vogel. En de rest vergeet je.
Zo, zegt Barend.
Of ik tast de horizon af, en de rivier hier voor me.
Aftasten?
Ja, zeg ik. Ik zit niet zomaar wat te kieke. Als het goed gaat, boort je geest zich als het ware door de kijker naar buiten en je kijkt naar alles wat beweegt…—
Tot je stáápelgek wordt, zegt Barend.
Ik moet lachen. Ik leg de verrekijker weg en zeg: dat ben ik al. Zeg, hebben we nog snickers?
Barend rommelt in de rugzak en geeft me een reep.
Meditatie ofzo? zegt hij. Staren naar de dobber?
Misschien, zeg ik. Soms loop ik. Door een veld, een bos. Voetje voor voetje, met al mijn zintuigen open. Zodra je wegdroomt, denkt aan gisteren of morgen, of plannen maakt, vliegt er iets op dat je te laat ziet. Je moet nergens aan denken. Je moet er zijn. Hier zijn. Dat kan ik alleen als ik vogels kijk.
En als je dan niks ziet?, zegt Barend.
Tja… als ik niks zie… dan heb ik alles gezien. Alles om me heen. De lucht, het weer, de stilte of de wind, hoe ver de herfst in de berk is. Die dingen.
Jaja, zegt Barend. Je komt tot rust. Enzo.
Tot rust… zeg ik. En ik zucht diep. J-ja. Tot rust.
Da's goed voor je hoofd, zegt Barend. Enzo.
Ja, zeg ik.
Dus…— je kunt ook vogelen zonder vogels? zegt Barend.
Ja…, zeg ik, misschien wel!

Na een lange stilte schraapt Barend zijn keel. Hoe ga je dat in Drenthe doen? vraagt hij. Geen rivier, geen uiterwaarden…
Och, zeg ik, daar zijn weer bossen. En veen, veel veen. En zandgrond. Mooie droge zandgrond. En berken, overal. Ik zucht weer. Ik denk wel dat ik me daar thuis voel, op de zandgrond, zeg ik.
We staan op, stijf van het lange zitten op de koude krib. We nemen de laatste Hendrikus naar Tiel terug. Het is al donker.
Zul je ons missen, onze Betuwe, zegt Barend.
De rivier, zeg ik. De rivier, die zal ik missen.

naar boven