naar de Voorpagina

Joeperoog

Cap d'Ail

Dit hier is de Blauwe Zee, tussen Nice en Monaco. Ik zit op een wit betegeld terras onder de palmen, vanavond zal ik met het geruis van de zee door het slaapkamerraam inslapen en met hetzelfde geruis zal ik wakker worden. Ik kijk naar de jongens die duiken in de golven en naar de golven die stukslaan op de rotsen en ik denk aan Ierland, daar ging het ook zo. Maar hier is het toch anders: als je je omdraait kijk je niet naar groenbruine leegte en heftige luchten, maar zie je witte villa's in romeinse stijl.
Op zee zwemt een enkele aalscholver, wat zilvermeeuwen, een visdiefje, meer niet. Kan de Cote d'Azur overtroffen worden?
Ja. Want de uitlopers van de Alpes Maritimes rijzen hier vlak achter de kust op: droge kalkhellingen, bakkend in de zon, maar toch vol van leven: cactussen, aloë, agaven, en allerlei vogels. In de rijke tuinen van dit dorpje veel acaciasoorten en andere vlinderbloemige struiken en bomen met lathyrus-achtige bladeren die aan Kruidje-roer-me-niet doen denken.
Verder veel bomen en struiken met dikke bladeren zoals bij ons de rhodondendron heeft, ongetwijfeld aangepast aan dit klimaat van droge wind en stekende zon. En als ik 's avonds door de straten van Cap d'Ail loop, hangt de geur van jasmijn zwaar in de lucht en dan begrijp je de dichters.

Ook hier boven Cap d'Ail is een helling, een rots, een berg. Ik wilde er gisteren naar toe. Maar boven het dorp liep ik na een kilometer vast: het pad hield gewoon op. Het simpele plattegrondje van de plaatselijke VVV schoot tekort. Natuurlijk. Ooit een Fransman in de natuur zien wandelen? Maar goed, ik zocht een alternatief en nam wat meer asfalt voor lief, afgewisseld met onduidelijke paden door een bos. Ik keek er mijn ogen uit. Want behalve de bramen en de klimop is hier niets hetzelfde als in Nederland. Er is geen boom, geen struik en geen bloem die ik herken. En dat maakt indruk.

Vandaag heb ik een nieuwe poging ondernomen om de top van de rots te bereiken: La Tête de Chien, 550 meter hoog. Heb ik me liggen vervelen op de azuren stranden, op de helling wist ik weer waarvoor ik op reis ben: hiervoor. Klimmen, voet voor voet zetten, me te barsten zweten, me omringd weten door allerlei vegetatie die ik niet ken, maar dat gaf niet, en door allerlei vogels die ik niet ken, en dat gaf wel. Ik klom als in de Alpen: voetje voor voetje en zonder haast, want de zon brandde en het pad was steil.
Maar ik stond steeds vaker en steeds langer stil; links en rechts van me klonken onbekende vogelgeluiden. Ze zijn schuw, de vogels hier. Toch heb ik er een paar kunnen determineren — of zeg je dat alleen van planten? Na het lange turen door de kijker en zoeken in het vogelboek noteer je met een tevreden zucht in je boekje: zwarte tapuit, blauwe rotslijster, kleine zwartkop. Ach, het staat er zo netjes, maar wie raadt het geduld en het ongeduld, de ingehouden adem en de mompelingen, de verwondering en de teleurstelling, het ongeloof en de zuchten van de vogelaar? Wie raadt het aantal shits in verhouding tot het aantal ôôôhs?

Plotseling het geluid van een vlieger op het strand, vlak boven mijn hoofd — wioesjsjsj. Ik keek op. Een valk scheerde over de helling, duikelde, keerde in zijn vlucht, duidelijk jagend op zangvogeltjes. Zó'n akrobatiek en zó'n snelheid, dat moest wel een slechtvalk zijn.
Even later hoorde ik een geluid wat me deed denken aan het gekekker van een torenvalk. Natuurlijk kijk je meteen op. Een valk werd geplaagd door twee kraaien. Wat, kraaien…? Raven!
Raven? Echt waar? Check: wigvormige staart, de vleugels waren meer gevingerd dan die van kraaien, rafelig haast, de vleugelslag was anders, en ze waren… groot. Groot als een buizerd!
Wie raadt de tevredenheid van de vogelaar: eindelijk, eindelijk heb ik raven gezien. En wie raadt het gevoel van de vogelaar dat het niet meer stuk kon?
Tenslotte, wie onthoudt voor mij, toen ik boven op de top kwam, het geluid van de zang van een doodgewone merel, dat weergalmde in een kloof?

naar boven