naar de Voorpagina

Joeperoog

Drie poten

Barend heeft twee dagen vakantie. Of ik mee ga. Waarheen dan? Verzin jij maar, zegt-ie.
Twee dagen… Wat doe je daarmee? Naar de parken van Parijs? Waaien op de Wadden? Lekker thuis op het balkon liggen? Wel of niet vogelen?
Die nacht droom ik van Luxemburg. En als ik wakker word, gaat mijn hart sneller kloppen. Ja, lopen! Ik grijp de telefoon, bel de jeugdherberg in Troisvierges en zo reizen we in alle vroegte af met als enige bagage onze rugzakjes met leeftocht, tandeborstel en schone onderbroek. Luxemburg, dat land waar ze Letzebuergesch spreken en 'Moi' tegen elkaar zeggen, wat ze ook in Drenthe doen waar ik geboren ben.
'Moi.'

We melden ons bij de jeugdherberg en gaan op sjouw. We plakken een etappe vast aan de tocht die ik vorig jaar alleen maakte, van het noordelijkste puntje van Luxemburg naar Kautenbach.
Ik had een route uitgestippeld: Kautenbach - Wiltz. Maar Barend wil per se via Esch-sur-Sure lopen — hij moet een boel lui zweet kwijt, zegt i. Ik eigenlijk ook, dus we doen het. We kijken wel naar vogels uit, maar blijven er nauwelijks voor stilstaan. We klimmen en zweten en klimmen en zweten en lopen zo de frustraties over de gesloten natuurgebieden in Nederland en het tè lange binnenzitten uit ons lijf.

En als we boven komen wacht ons een verrassing. Luxemburg blijkt een soort omgekeerde Alpen te zijn. Het klassieke verhaal is immers: beneden in de dalen wonen de mensen en grazen de koeien, hoe hoger je komt, hoe minder een boer er te zoeken heeft. Hier is het andersom. Eigenlijk is Luxemburg plat. Ja, plat. Sta je na een lange klim vanuit het dal 'boven', zie je een rechte horizon, vrijwel zonder glooiingen of toppen. Luxemburg blijkt een vlakte, een hoogvlakte. Het zijn niet de toppen die zich verheffen, maar de dalen die door de rivieren in de diepte zijn uitgesleten. Boeren doe je boven, wandelen beneden.

We gaan berregie op en berregie af, zo'n vijfentwintig kilometer in zes uur. De enige keer dat we stilhouden is aan de rand van een bos als we in een weiland een vos zien rondscharrelen. Hij heeft ons niet in de gaten. Dat is uitzonderlijk voor een vos.
'Hee…' fluistert Barend, 'hij loopt kreupel'. We kijken beter: de vos mist zijn linker achterpoot, de poot houdt bij de enkel op. Het ziet er niet uit als een lelijke wond en het lijkt goed genezen. Op drie poten loopt hij door het gras, snuffelt, kauwt af en toe wat, snuffelt weer verder.
'Wist je dat vossen ook muizen en zelfs insekten eten, die in het gras zitten?'
'O?'
'Deze kennelijk ook. Zo, beestje,' mompelt Barend achter zijn verrekijker, 'ben je aangereden? Kun je wel overleven op drie poten? Ben je snel genoeg bij het jagen?'
De vos hoort ons niet. Maar als we na een kwartier weer opstaan om verder te lopen, schrikt hij op. Twee tellen kijkt hij ons onbeweeglijk aan, dan sprint hij over de wei naar de bosrand. Wat een snelheid!
'Snel genoeg om te jagen, die redt het wel, met zijn drie poten,' zeg ik.
'Mjoa. Wij hebben er maar twee, en wij komen ook thuis,' zegt Barend.

naar boven