naar de Voorpagina

Joeperoog

Een stukje groeiproces

[ Joep logeert twee weken bij een grote familie in Ierland.
Vandaag neemt hij een nooduitgang.
]

Route die Joep aflegde
• • • • de route die Joep aflegde

Vroeg op dus, en er op uit. Ik smeer brood, krijg een thermosfles vol koffie mee, — wauw, koffie! — krijg waarschuwingen mee voor de gevaren van het moeras, krijg een tip van de jongste zoon, dat de zeven Magrath Loughs erg mooi zijn, mocht ik daar in de buurt komen, krijg het verzoek mee om voorzichtig te zijn met mijn voeten en de drains: de sleuven en greppels die soms verborgen zijn onder het gras, want een helikopter is tamelijk duur.
Lekkere hapjes mee, hatsekidee, en veel regenkleding. Ik krijg zelfs een kompas mee. Nu zit er zoveel in mijn rugzakje dat ik vogelboek, verrekijker en schrijfblok maar thuis laat.
En zodra ik het huis achter me heb gelaten en ik langs the house with one window naar boven hobbel, voel ik de bevrijdende afstand groeien. Met de afstand groeit de ruimte om met mezelf te praten. Want ik wil naar huis. Gewoon, naar huis, naar Nederland. Ik schaam me ervoor en ik zou er met geen mens over durven spreken.
Of nee, ik wil niet naar Nederland maar ik wil alleen zijn. Vrij zijn. Ik geloof dat Vrijheid het allereerste en allerlaatste is dat ik zoek. Please en laat me zijn de woorden die op onbewaakte momenten in mijn innerlijke gesprekken over mijn lippen komen. Voor mij is vrijheid vakantie en vakantie vrijheid pas dan, als ik zelf alles kan bepalen: mijn gaan en mijn komen, mijn eten en drinken, mijn luieren en zwoegen.
Ze hebben me niets gedaan, deze mensen. Moeder niet, oma niet, opa niet, zoonlief niet, niemand niet. Maar ik wil bij ze vandaan. Vrij zijn.
En twintigduizend stemmen praten tegen mij wat ik moet doen of juist niet moet doen.

Geduld, Joep, de dag is nog lang, misschien lost de deken wel op als je maar lang genoeg onderweg bent en hoog genoeg op de berg en ver genoeg in de onbewoonde wereld.
En ik ga zitten boven de waterval van White River en neem een kop koffie. Koffie, wauw. Ook al is het de spreekwoordelijke britse slappe drab, 't is bruin en er zit sjot in en Joep is tevreden.
En verder loop ik, net als eergisteren de White River stroomopwaarts volgend. Maar het komt allemaal niet binnen, wat een verdriet.
En duf ben ik ook. Zit de Guinness van gisteravond me dwars? Nee.
Ik kan het gewoon niet zo goed met mensen.
Het wordt tijd dat ik daarmee gewoon verder leef. Die groeiprocessen enzo, bah.
Een vogeltje maakt me wakker. Pikzwart met een witte borst. Ik heb geen verrekijker maar die heb ik niet nodig ook niet. Het is zó duidelijk een zwarte vogel met een witte borst, ongeveer zo groot als een lijster of iets kleiner, dat ik het wel onthoud. Biotoop: heidevelden en stromend water. Ja, dat onthoud ik.
Boven me zit alles dicht en de motregens waaien van tijd tot tijd uit over het land. dat zal ook wel van invloed zijn op mijn stemming, filosofeer ik. Lage Druk Gebieden maken een mens depressief en ik ben gevoelig voor Lage Druk Gebieden en Hoge Druk Gebieden, houd ik mezelf voor.
Ook Tup zegt dat i depri wort als i de zon een tijd lang niet heeft gezien. Dat i depri wort van al te veel regen en al te lang grijs. Genoeg exkuus om me klote te mogen voelen en zo bagger ik weer verder. Af en toe nog een witborstje of een heidestern, zoals ik ze maar noem.
Bij de bosrand zoek ik een schuilplek tussen de bomen. Dit keer is het bos beschermend, niet beklemmend. De stille jonge sparren die veel te dicht op elkaar staan maken me rustig. Ik sta uit de wind en als de regen valt, valt-ie stil op me neer. Ik neem een lekker hapje en eet 'm heel zuinig op, lang genietend van elk stukje. Een kop koffie er achteraan. Het helpt.

Weer door de jonge aanplant naar de weg bij het autowrak. Lough Anna heet het meer. Veel aandacht bij je voeten: de sleuven, de stukjes veen die te drassig zijn om over te lopen.
Weg in Ierland De weg. Nou ja 'weg'. Een breed pad, of twee parallelle paden met groen ertussen. Linksaf ken ik, dat gaat naar het dal. Rechtsaf gaat het bos in. Ha, het bos in, veilig en vlug.
Waar zal die uitkomen? Na enkele honderden meters blubber weet ik het: aan de bosrand. Bos houdt op, weg houdt op, voor me weer zo'n vlakte van heide, mos en veen. Verrassend.
Dan maar linksaf langs de bosrand richting Lough Anna. Hoe gaat-ie, Joep? Beter al, dank je.
Rechts doemt een kop op, een berg, een rots, een heuvel, hoe noem je zoiets. Hoe dan ook, ik wil er op. En ik ga. En ik voel me steeds beter. En ik bereik de top. En ik sta in de wind en in het grijs en in de regen en ik zie niks meer door mijn bril maar ik zeg tegen mezelf: Wakker worden Joep, je bent in Ierland.
Ja, zeg ik, ik ben in Ierland. En ik kijk in de ruimte om me heen. Grijs, bruin en vaal groen. Hè! Ruimte!
In de luwte onder de top eet ik een boteram met een kop koffie. De lucht breekt, een vierkante centimeter blauw. Een zwakke plek ergens in de wolken waar het grijs niet grijs is maar wit, en het wordt steeds witter, bijna verblindend. Daar ergens is de zon. Toe maar jongen, kom maar.
Het duurt even. De zon doet zijn of haar best. Dan: een lichte schijf door het lichtgevende grijs.
Zegen mij voor een kort moment.
En ik word gezegend, meer dan een kort moment. Het is alsof ik de kracht terugkrijg voor de rest van de dag. Er komen weer regens maar ik treur niet. Beneden me ligt een meer, een ander meer, kleiner dan Lough Anna, daarachter ligt een weg (nou ja 'weg') en daar weer achter…

Er vormen zich al plannen in mijn hoofd: langs het meertje, de weg oversteken en dan naar de zeven Magrath Loughs waarover zoonlief me vertelde.
En ik ga. Ik daal af, steek de weg over en nader de bergkam waarachter de zeven Magrath Loughs liggen. Links bevindt zich een zadel waaruit een beek stroomt en wat er heel aantrekkelijk uitziet om er heen te gaan, en zo de bergkam over te komen. Rechts bevindt zich een ronde top die de bergkam domineert, de Meenagushoge.
Ik wil naar beide. Wat nu.
Eerst over de kop, en dan over de kam naar het zadel. Denk ik. Maar dat gaat zomaar niet. Ik heb al veel over drassig land gelopen, maar nu wordt het echt uitkijken. Sommige plekken heb ik al als verraderlijk leren herkennen. Het is een vlekkerig soort modder onder een laagje water. Daar gaat je laars geheid naar beneden.
Maar verder vraagt het lopen al mijn aandacht. Je moet steeds voelen hoe de grond voelt, hoe ver het meegeeft, hoe stevig het is of niet. En als ik dan verbaasd-gelukkig ineens de Zonnedauw zie, heel klein maar echt, de Zonnedauw, en met een glimlach en mijn hoofd in miniwolkjes verder ga, stap ik pardoes verkeerd. Eén twee en allebei mijn voeten zitten vast. Bijna lopen mijn laarzen vol, nog niet, maar ik zit vast. Kalm blijven, en met beleid éen voet lostrekken, geduld, stap voor stap achteruit. Goed zo.
Ik sta weer op het droge, toch wel wat geschrokken. Altijd erbij blijven jongen, zonnedauw of geen zonnedauw. En verder gaan. Vooral doorgaan.
Het is een vermoeiende tocht. Het vereist veel aandacht maar ik kan (ik bedoel ik wil) niet meer terug. Waarschijnlijk de meest gevaarlijke motivatie van een man in de bergen of in moerasland, maar nu ja.

Ik ben niet ver meer van de rotsen. Maar als je in de rotsen bent ben je er nog niet. Veen en moeras hebben hier in Ierland niks van doen met hoog of laag, overal kan veen en moeras zijn. Zodra er maar even een vlak stukje tussen de rotsen ligt, is er veen. Alles wat maar enigszins vlak is, is veen. Zodat ik me pas veilig weet als ik echt op de rots ben. Vaste rots van mijn behoud. Ik begrijp het, deze psalm moet in Ierland ontstaan zijn.
Shivnagh De beloning bevindt zich op de top. Het uitzicht is grandioos, alle kanten op. Twee meren zie ik: dat waar ik vandaan kom en dat waar ik heen wil. Ik zie andere bergruggen, het veen onder me waardoorheen ik hier naar toe gebaggerd ben, de weg die ik ben overgestoken ligt klein en ver. Kraaien cirkelen en roepen muzikaal boven mijn hoofd.
In de luwte een tweede boteram en de laatste kop koffie. De thermosfles is leeg.
Een blik op de kaart en het plan: afdalen naar het eerste meer van de zeven Magrath Lougs, het meest westelijke, en dat oostwaarts tot… we zien wel.
Het is geen moeilijke afdaling. De oever van het meer wekt mijn interesse. Afkalvend zwart vet veen, afgewisseld met rotsen, meestal dat zwarte gelaagde, lei-achtige gesteente, vijfenveertig graden gekanteld of meer, en dan ineens een strook wit kwarts, nèt wat harder, nèt wat minder verweerd, als een trottoirband dertig meter recht over het steenstrand.
Het tweede meer ligt vlak bij het eerste. Uit dit tweede meer stroomt de beek door het zadel in de bergrug naar beneden. Ik steek de stroom over en ga verder naar het derde meer, het grootste, langs een stroom die van het derde naar het tweede meer bruist, slingert, speelt. Ik volg de beek stroomopwaarts en ga daarmee een gigantische Ierse Tuin binnen.
Stroomversnelling na stroomversnelling, watervalletjes, soms glijdt het water over de afgeronde kale rots.
Eromheen overal de bloeiende heide en hier en daar een lijsterbes over het water hangend zich vastgehecht in de rots…

In het derde meer ligt een eiland en ik kan er zo naar toe waden. Een eiland van tien meter lang en drie meter breed. Een onbewoond eiland in een grote zee. Weer vormen zich plannen en beelden: daar komt het huis, en daar de haven, en dan daar het strand en dan zó een weg om van hier naar daar te komen en dan moet de boot zó varen om het vaste land te bereiken en dan komt hier een pad van het huis naar het strand en—… verrek! De stranden van het eiland zijn wit. Wit kwarts dat nagenoeg horizontaal ligt. Als een gigantische stoep voor je voordeur. Wat hebt ge dit alles mooi gemaakt, schepper!

Nog iets verder. Tot het punt waar éen van de kleinste meertjes van de Zeven via een stroompje uitkomt in het derde meer. Hier is het eindpunt van mijn tocht, besluit ik. Mag ik hier een gebed uitspreken. Schepper die dit alles gemaakt heeft. 't Is mooi. Ga met deze kleine jongen mee op zijn terugweg.

Engelen zijn hier niet, daarvoor is het hier te aards en te ruw. Hooguit wat alfen of kobolden. Ik geloof de oudjes bij voorbaat, die zeggen dat ze zulke wezens hier hebben gezien.
Bovenaan de beek mijn laatste boteram in de regen. Dan de spectaculaire afdaling door het zadel. Alles lijkt hier alpen maar dan ietsie meer miniatuur. De afstanden zijn wat kleiner maar de hellingen en de rotsen zien er even onherbergzaam uit als in het hooggebergte. En hier, hier zijn geen paden. Ik kan me precies voorstellen hoe een Alpen Verein hier de paden zou hebben aangelegd maar — ze zijn er niet.
En ik zondig tegen alle alpenwetten die ik me kan herinneren: ik ben alleen, heb 'maar' laarzen aan, begeef me buiten de paden en daal af langs de afgrond.
Rotsen boven me, water onder me. De schapen zijn de enige levende wezens hier, en ook zij overleven tocht na tocht. Zij zijn het die hier de paden maken en ik ben hun dankbaar.

Geen veen meer en geen moeras. Zo kom ik op de 'weg' uit en dan begint de mars naar huis.
Ik ben moe, ik heb het gehad, nu alleen nog wat kilometers asfalt.
Echt leuk is het niet, maar ik klaag niet, eet alleen van de overvloedige bramen langs de weg.
De avond is gezellig en rozig.
Naar Nederland? Naar huis? Ach, kom…

_____

naar boven