naar de Voorpagina

Joeperoog

De Lammergier

Ik was tien en zwierf met m'n vriendje Harrie door het veld rond mijn geboorteplaats in Drenthe. We zagen een grote vogel vliegen. Hij was bruin, en groter dan een kraai. "Een roofvogel", wist ik. "Wat voor roofvogel?" wilde Harrie weten. "Dat weet ik niet, maar dat zoeken we thuis wel op in het boekje."
Thuisgekomen pakte ik "Vogels in Kleur", dat zich beperkte tot één plaatje (in kleur dus) per vogel, met de naam van die vogel erbij. Helemaal achterin het boekje zaten bladzijden met zwart-witte letters, maar daar keek ik nooit naar.
"Een lammergier," concludeerde ik.
"Welnee," zei mijn vader, "het zal een buizerd geweest zijn."
Ik keek naar het plaatje van de buizerd.
"Nee," zei ik, "het was een lammergier," en ik liet mijn vader het plaatje zien. Tegen zoveel deskundigheid kon mijn vader niet op. Hij heeft zich daarna alleen nog met fossielen en planten bezig gehouden. Niet meer met vogels.

Ik was dertig en fietste door de omgeving van Tiel. Inmiddels wist ik al iets meer van vogels. In een sloot zwom een donkerbruine eend met wat jongen. Geen wilde eend, dat zag ik wel, maar wat dan wel? Ze was niet echt schuw, maar zwom alleen wat bij me vandaan toen ik stopte om het eén-oudergezinnetje te bestuderen. Lichte ogen en een lichte snavelbasis. Vogelboek uit mijn rugzakje gehaald en gebladerd. Witoogeend? Nee, die komen hier niet voor. Toppereend? Niet aannemelijk, want die zitten hier alleen in de winter, en dan niet in slootjes, maar op grote wateroppervlakten, zei het boek.
Er stopte een auto. De bestuurder stapte uit, zijn vrouw bleef zitten, hij keek drie tellen door zijn verrekijkertje, haalde iets als Vogels In Kleur tevoorschijn, bladerde… "een dodaars!" zei hij.
"Nou, dat lijkt me niet", weifelde ik. Ik wist nog niet veel, maar wel dat een dodaars geen eend is en dat een dodaars te schuw is om zo makkelijk te benaderen, zeker als ze jongen heeft.
De man keek nog eens in zijn boekje. Dat leek hem alleen maar in zijn vermoeden te bevestigen. "Ja hoor, 'n dodaars." Hij krabbelde iets in een blocnootje en stapte weer in.

Ik was vijfdertig en wandelde op Hemelvaartsdag. In een flits zag ik iets vliegen wat me aan een koekoek deed denken. Het was in ieder geval geen duif, zag ik. Blij schreef ik thuis op: Eerste Waarneming koekoek, Kesteren.
In de Franse Alpen zag ik een valk langs suizen. Ik zwierde het woord 'slechtvalk' in mijn boekje.

Waarom ik dit opschrijf? Omdat je soms ziet wat je graag wilt zien. Je denkt het te zien. Maar een echte vogelaar is pas tevreden als-ie zeker van zijn zaak is. Ben ik een echte vogelaar? Nee, dat niet. Ik zeg altijd: ik ben een liefhebber. Maar inmiddels weet ik dat de dodaars een wijfje kuifeend was, en inmiddels weet ik niet zeker of de koekoek een koekoek was en de slechtvalk een slechtvalk.
Natúúrlijk mag je jezelf van alles wijs maken. Maar vertel het dan niet aan anderen. En vertel nóóit dat je een lammergier hebt gezien.

naar boven
naar boven