naar de Voorpagina

Joeperoog

Moed in de schoenen

2009

Visé, perron - donderdag

De lucht is wolkenloos, de zon knijpt in mijn ogen.
De bloes wat opengeknoopt, de blote voeten in de zomerschoentjes, de grote rugzak naast me, de kleine rugzak voor me, ik op een Bankje op het Perron.
Ik ben heel vroeg vertrokken, vanmorgen. Ergens rond Arnhem kwam de zon op.

Ben met de auto tot hier gereden. Visé. Vanaf hier wil ik het met de trein doen: het ritueel van Bressoux, Liège, Angleur, Tilff, Mery, Hony, Esneux, Poulseur, Rivage, Aywaille, Trois-Ponts, Vielsalm, Gouvy, Trois Vierges, Clervaux, Kautenbach, Goebelsmühle, Ettelbrück, en dan verder lopen. Colmar-Berg, Mersch… wat volgt?

Was eigenlijk met de auto tot Eijsden gereden. Ik had er geparkeerd, kaartje uit de automaat getrokken, en gezocht naar de vertrektijden. Geen vertrektijden? Wegbezuinigd, zo'n lullig bordje?
Ja, wegbezuinigd. Niet alleen het bordje, ook de vertrektijden zelf.
'De trein stopt hier niet meer!' riep iemand uit de verte naar mij. Ik stapte naar hem toe.
'Al een paar jaar niet meer. Veel ruzie over geweest hier. Maar de trein stopt hier niet meer.'
Nou, dank u wel meneer, dat u het mij zegt, anders had ik hier morgen nog gestaan.
'Morgen stopt-ie hier ook niet.'

Ik denk terug aan gisteren. Ik liep een stuk Noaberpad, ik zat aan het Tijdenskanaal, na tig kilometer lopen vanuit Oudeschans. Pauze, zon, boteram, water, bloes uit, liggen. Pas weer verder als ik meer zin heb om verder te gaan dan om te blijven liggen.
U vroeg naar de zin van het leven?

Ik denk terug aan eergisteren. Een dag met Henk op het zweefvliegveld van Terlet. Wachten, kijken, luisteren naar de gesprekken tussen de cursisten. Henk zien wachten, kijken, praten, en een spaarzame vlucht maken die niet lekker loopt.
Tot slot, aan het eind van een lange, hete dag, mocht ook ik de lucht in, met een ervaren piloot mee. Een lierstart is een regelrechte lancering. Het kippevel stond rechtop op mijn armen en benen van de… van de… tja, waarvan? Doe het zelf en je weet waarvan.
Eenmaal 'boven' zie ik hoe hard het werken is voor de piloot. (Ach wat schattig, kijk die vliegtuigjes daarboven eens lekker cirkelen.) Thermiek zoeken, en vooral: houden. Maar als er, zoals vandaag, alleen maar kleine bellen zijn, is het: scherpe bochten draaien, uit de bel zakken, hup, de volgende bel in, en weer zakken, en weer linksom en weer rechtsom… Zodat ik en m'n maag na een paar minuten al weten: we willen weer naar beneden, want dit gaat niet goed. Liever een korte vlucht die leuk blijft, dan een lange waar ik groen en geel uitkom.
Nee, ik heb er geen spijt van. Maar de lucht, dat is toch mijn element niet. Vandaar dat ik zal gaan lopen. Ja, lopen, ha!


Hotelkamer, Ettelbréck - donderdag

Ik lig bloot op het bed, 't is warm. Ik eet wat, ik drink veel water, ik schrijf kaarten. Ik kijk op de wandelkaart en verzin een route voor morgen.
Vanmiddag na aankomst in Ettelbréck (zoals de Lëtzebuergers zelf zeggen) ben je toch al gauw een uurtje op zoek naar een hotelkamer, en morgen kan ik weer op zoek: deze kamer was maar voor één nacht vrij.
Bereid zo'n vakantie dan ook een beetje vóór, Joep. Je hebt internet, je kunt frans, dan kun je ook boeken.
Mwoa, zegt Joep, en begint te lopen. Het gaat meteen steil omhoog, Ettelbréck uit. Er stopt een zwart Golfje naast me. Het raampje gaat open en een jonge knul: kan ik u misschien meenemen naar boven, dan hoeft u dat hele eind niet te lopen.
Vielen Dank, zeg ik, aber es macht mir Spaß. Kommt Ihnen vielleicht komisch vor, aber es macht mir Spaß. Naast de knul zit zijn blondje met twee pizzadozen op schoot sprakeloos toe te kijken.
Als ik weer doorloop, hoor ik achter me hoe de Golfrijder wat moeite heeft met de hellingproef. En dat voor een Luxemburger.
En ik ga verder. Waar de weg ophoudt, begint een karrespoor, langs de al weer geploegde en geëgde akkers, en weer naar beneden. Bos, valleitje, holle weg. Augustus: het is doodstil in de bomen, geen vogel.
Uiteindelijk: Grentzingen. Een piepklein kerkje blijkt open te zijn, en eventjes leg ik pet, kijker en rugzak af, kniel in een bank en kijk naar Maria, naar het Heilig Hart, en naar de heilige met het kind op de arm.
Ik ken ze nog van vroeger.

De rest van de route blijkt over een 'gele' weg te gaan: asfalt tot Colmar-Berg. Daar zit ik nog een halfuurtje in de warmbrandende zon, hoewel het al avond is; de droge lucht is knalblauw met wolken.


Hotelkamer, Luxemburg-stad - vrijdag

Zelden is een dag zo af geweest als deze.
Om te beginnen: het hele eind van Buerghaff bij Colmar-Berg, langs Bambësch, Klenge Buerghaff, Schrondweiler naar Glabach. Zon en wolken. Koeien. Pruimebomen langs de weg. Enorme perebomen. Steeds meer wolken. Druppels zelfs, een vlaag miezerregen. En ik had mijn regenjas, optimistisch, niet bij me. Dus zat ik vijf minuten in het bushokje van Schrondweiler, prikte drie gaatjes in een vuilniszak - die had ik dan wèl weer bij me - en ik had mijn regenjas. Pet op, en ik kon weer verder.
En toen na Glabach de zon doorbrak —… liep ik in het bos. Bos, dat had ik eigenlijk al genoeg gehad. Het was een donker slingerend pad langs Scheierhaff naar Beringen, onder spectaculaire kalksteenrotsen door. Spectaculair, dat wel. En voor rotsen ga je toch naar de Ardennen — of Luxemburg dan. Voor rotsen toch? Ja, en voor meer: uitzichten, hoogvlaktes.
Uiteindelijk zijn het deze laatste waarvoor ik telkens weer naar Luxemburg trek — of de Ardennen dan. En uitzicht en hoogvlakte had ik nog niet genoeg gehad vandaag.
Maar de zon is trouw en groot, en bleef schijnen toen ik het bos uitkwam, door Beringen liep, naar Mersch, en dan een fietspad langs het spoor naar Lintgen.

Dan zit ik in Lintgen op het perron, met hellingen en kilometers in mijn benen. Het is bijna half vijf.
Over twintig minuten zal de trein komen. En dan? Terug naar de hotelkamer? Naar Luxemburg, de stad? Rondslenteren daar, in de avond?
Een paar ferme slokken water. En ik pak de kaart weer eens. Openvouwen en kijken hoe ik op een mooie manier naar Lorentzweiler kan komen.
Op een mooie manier, dat is: omhoog, over een hoogvlakte. Hoogvlakte en uitzichten. Niet door een bos alsjeblieft.
Ik kan niet meer stoppen. Nog een fles water gekocht en omhoog maar weer, de kortste weg door het bos naar de vlakte. Bouwland, houtsingels, pruimebomen. Overal pruimebomen. Ik de romantieke reiziger die onderweg in zijn levensonderhoud voorziet. Een kruik water, een homp brood, een stuk worst in de ransel, en de vruchten langs de weg. Da draußen, stets betrogen, saust die geschäft'ge Welt.
De zon is als gisteren: in een heldere droge blauwe hemel tussen wat wolken. In die hemel ineens een paartje rode wouwen - na al die buizerden vandaag.
Tenslotte bereik ik Lorentzweiler na een mars over een C.R. ('gele weg'). De trein rijdt voor mijn neus weg. Mooi zo. Zitten in de laatste zon voor vandaag en
dankbaar zijn
tot de volgende trein.

's Avonds in de bar neem ik twee biertjes en slaap daardoor slecht.


Le troisième jour - zaterdag

gaat wat moeizaam van start en ik neem een verkeerde beslissing.

Eerst op zoek naar een topografische kaart, want ik ben alweer bijna van de vorige afgelopen. Dat levert het nodige gedwaal op door een ochtendkil en tochtig Luxemburg-Stad op — hoewel de uitzichten vanaf Viaduc de Clausen op Grund me weer doen beseffen dat Luxemburg een mooie stad is, misschien wel de mooiste die ik ken, en als ik mijn wandelkaart gevonden heb en de weg terug naar het station aanvang, beginnen de klokken van de Cathédrale Notre-Dame de Luxembourg met z'n vieren te galmen, te zingen!

Als ik op het station mijn treinkaartje voor de terugreis wil kopen, word ik in verwarring gebracht. De kaartjesman vertelt dat er werkzaamheden zijn aan het spoor, daar waar ik langs had gewild. Er rijden bussen. Maar: Correspondance ne peut pas être garantie. Da's frans voor: houdt u rekening met…
Voor hetzelfde geld mag ik over Namen reizen. Vertrekt van spoor 1.
Gedoe dus. En ik ging toch niet op vakantie voor gedoe! Ziehier mijn vergissing: voor ik het weet loop ik naar spoor 1 en stap in de gereedstaande trein.
Dat ik nog een klein rondje hoogvlakte wilde doen, van Lorentzweiler naar, voor mijn part Heisdorf, en op die manier afscheid van Luxemburg wilde nemen, is min of meer uit mijn bewustzijn verdwenen. Zozeer min of meer, dat ik in de trein naar Namen stap om kwart over tien 's ochtends.
Ik kan mijn vergissing goedpraten met het feit dat ik gisteren al zoveel gelopen heb, veel meer dan ik ooit tevoren verwachtte, dat het mooi is geweest, dat je moet stoppen op je hoogtepunt, dat het kouder is dan gisteren, dat het ook wel leuk is om de lijn via Arlon en Namur weer eens te rijden, voor het eerst na twintig, ja twintig jaar, dat ik voor het donker thuis ben, dat ik nog even bij J. te E. langs kan gaan…
Maar hoe langer ik in de trein zit die comfortabel door de glooiende Zuid Ardennen glijdt, hoe meer ik de P in krijg.
'Maar Joep! Je laat je plezier toch niet door één vergissing vergallen?'
Nee, dat laat ik niet. Laat ik dat maar niet doen. Ik zucht maar eens even en verdiep me in het landschap rond Aarlen, Marbehan, en ik begin me al weer voor te stellen hoe het zou zijn om hier te lopen: Poix-St-Hubert, Mirwart, Grupont, Libramont, Jemelle en… Marloie.
Marloie - nee, dat zegt niemand wat. Niemand! Maar let op: Joep is hier eens, lang geleden, in het hartje van een winter, uitgestapt, zijn neus achterna gelopen, het dorp door, een pad op, een helling op, een bos in, een grote open plek… stilte. Absolute stilte — in de sneeuw. Hij heeft er zeker een uur gezeten.
Als je tegen Joep zegt: Benelux Tour Rail winter 1989, dan zegt Joep: Marloie.

J. is niet te E.
Ik heb nog een middag over. Dus. Ik sta midden in Zuid Limburg: hoogvlakten, uitzichten, loopwegen. Wat te doen? Koffie en kersenvlaai te Gronsveld helpen me een plan te maken, en dan ruk ik op naar Vaals, scoor een simpele wandelkaart, snoer mijn loopschoenen weer om en voel me weer dàt wat ik wilde zijn. Het is half vijf, ik zal hier vóór het donker terug moeten zijn, dus even kijken…
Moresnet… haal ik dat? Dat haal ik.
En ook weer terug, haal ik dat? Dat haal ik. Natuurlijk haal ik dat.
En met een ongelofelijke hoeveelheid moed in de schoenen stamp ik de Vaalserberg af.
Gemmenich, Wittenweg, Mariahilf, een landweg in, door de weilanden, helling op helling af. Het is niks toeristisch hier: er liggen hier wel allemaal heuvels, maar België ligt vol met heuvels. Hier moet ik zijn.
In Moresnet: brood, worst en water, en dan weer terug over Moresnet-Chapelle, Nouvelaer. Ondertussen vraag ik me af waarom ik dit doe. Alle spieren in mijn benen doen pijn, ik maak mezelf alleen maar moe…, wat is hier leuk aan?
Geen idee. Ik weet alleen dat ik hiervan hou. Ik weet alleen dat dit is wat ik wil.
Als ik de loterij win…

Op de laatste helling, die van de Vaalserberg, kijk ik nog één keer om en de zon springt in mijn oog, vlak voor hij achter de bomen zakt.
Ha, jij! zeg ik, en stamp de Vaalserberg op.

naar boven