naar de Voorpagina

Joeperoog

Noaberpad

2009

26 september

Ik kom aanrijden bij een driesprong tussen de kale akkers in noordoost Groningen en zie nog net een groepje wandelaars dat zich vanaf deze driesprong naar Oudeschans begeeft.
Ik parkeer de auto in het gras. Links ga je naar Oudeschans en Bellingwolde, rechts naar Klein Ulsda, en via het derde weggetje zal ik de laatste kilometers van het Noaberpad afleggen. Nog maar zes kilometer naar Nieuweschans. Voor ik uitstap en op pad ga, pak ik mijn reisblokje en begin wat te schrijven over het Noaberpad dat ik nu bijna voltooid heb.
Het duurt even voor ik me realiseer dat het groepje wandelaars in de verte óók Noaberpadders zijn. De laatste kilometers? Dat hangt er maar vanaf, hoe je loopt. Voor hen zijn dit de eerste, ze zijn vol goede moed. Wanneer zullen ze Emmerich bereikt hebben?
In gedachten ga ik na waar ze allemaal langs zullen komen - en daarmee ga ik na waar ikzelf allemaal ben geweest, maar dan in omgekeerde volgorde.
Wanneer ben ik in Emmerich, of eigenlijk in Tiel, begonnen? Het moet in 2000 zijn geweest. Ik heb er geen dagboek van bijgehouden. Dat is een van de redenen waarom ik hier in de auto, bij een driesprong tussen Oudeschans en Booneschans, het een en ander opschrijf. Want 376 kilometer, dan wil je wel even op een papieren toetertje blazen.

Gaan we nostalgisch doen? Ja. Even. Een beetje maar.
Negen jaar lopen over zo'n afstand. Kon het niet wat sneller? Ja, dat had gekund. Maar niet gehoeven. Een mens is niet altijd in de stemming om voor zijn ontspanning te wandelen, als lopen voor een deel al zijn beroep is. In magazijnhallen, in de tuinbouw. Ik zou weleens willen weten hoeveel kilometers ik door hallen en tussen groentebedden gelopen heb, al die jaren.
En toch merkte ik in de loop van al die jaren hoe lekker 'lopen' kan zijn - naast vele uren 'zitten' te flightsimulatorren of webbouwen.

Het was mooi, het Noaberpad. Maar het viel niet mee. Meerdere keren heb ik gedacht om het Noaberpad maar op te geven. Niet omdat het te zwaar was. Maar omdat ik er soms bijna niet kon komen. Of juist omdat ik er niet meer weg kon komen. Ik was aangewezen op het openbaar vervoer, maar kwam er al snel achter dat "openbaar vervoer" en "grensstreek" niet goed samengaan, laat staan in het weekend. Zo rijdt er volgens het boekje vanuit Oeding op zaterdag minder dan een keer per uur een bus. Mwoa denk je dan, dat zal wel gaan. Klopt: hij rijdt één keer per dag. En hij was al weg toen ik in Oeding aankwam.
Nog zo eentje: Hoe kom je, na van Emmerich vijftien kilometer naar Elten te zijn gelopen, terug naar Nederland? Doorlopen naar 's Heerenberg. Zaterdagavond, hup! twaalf kilometer erbij.
En deze: Maandag, geen weekend, Isselburg, februari, koud. De bus had er al twee keer geweest moeten zijn. Tot je de carnavalsoptocht voorbij ziet komen: Rosenmontag, men rijdt de zondagse dienstregeling. Also: nix!
Ik klaag niet, maar heb een andere oplossing gevonden: met OV en dan per huurfiets naar het beginpunt van een etappe, en die etappe heen en weer lopen. Nadeel: het schiet niet op. Voordeel: het schiet niet op, maar je ziet elke etappe twee keer. En heb ik haast soms? Nee toch.

Herinneringen: een stortbui in Barlo. De enige schuilplek is een groepje bomen voor de kerk. Tot het ook daar begint door te lekken.
IJsvogels langs de Beurzerbeek, midden tussen de huizen van Winterswijk.
Een pannekoek Volgens Grootmoeders Recept in café Haak en Hoek. Als je eet, ontdek je dat de grootmoeder van Haak en Hoek de pannekoeken moddervet maakte.
Wielewalen in het bosje bij het Zwillbrocker Venn; ze van de wijs brengen door hun jodeltje na te doen.
Door een donker bosje lopen bij Anholt: de nog jonge sparren staan er kaarsrecht en in het gelid dicht op elkaar. Donker, zwaar? Nee. Ik voel me opgetild worden en rechtgezet; de kaarsrechte, kristallijne energie van die bomen...
Ellewick. Die naam. Ellewick.
Klootschietbanen in het bos bij Buurse, met vriendelijke bordjes of wandelaars, fietsers en ruiters de banen a.u.b. willen ontzien.
Later, verhuisd van Tiel naar Emmen en geen cent te makken; dus op de fiets naar Uelsen, een etappe lopen en op de fiets terug. En het wááide, die dag! Kapot kwam ik thuis.
Bij Söven Pölle overal kleine bonte spechten in de bomen.
Tussen Emlicheim en Schoonebeek de ja-knikkers herontdekt. Zijn ze in Nederland wegbezuinigd, in Duitsland staan er wel meer dan honderd.
Bargerveen: koekoeken, niet alleen gehoord, maar ook gezien.
Stovende zomerhitte tijdens de etappes rond Klazienaveen, Emmer- en Barger-Compascuum. Lopen maar!
Bellingwolde, Oudeschans: tientallen buizerden. Booneschans: bloes uit en liggen in de zon aan het kanaal, verder niks.

Het was in Springendal dat ik besloot om niet meer per se de gemarkeerde route te lopen, als die naar mijn smaak teveel de romantische slingerpaadjes volgde. Ik hou niet zo van paadjes die ten behoeve van De Wandelaar zijn uitgezet. Liever begeef ik me als loper, als een reiziger, op bestaande wegen, karresporen, schouwpaden, asfalt desnoods.

Het Noaberpad beroemt zich erop dat het deels door Duitsland, deels door Nederland loopt. Jammer dat de route na Schoonebeek Duitsland niet meer aandoet. Hoe subtiel de verschillen tussen Nederlands en Duits landschap rond de grens ook zijn: ze zijn er, en Duitsland oogt anders. Ik loop er graag, al is het alleen maar voor het gevoel dat je in het buitenland bent.

Het is daarom dat ik de allerlaatste kilometers weer eens eigenwijs zelf kies. Ik ga niet naar Station Nieuweschans waar Het Noaberpad Eindigt, maar ontsnap in het dorp naar rechts, oostwaarts, nog éven de grens over. Mijn Noaberpad is voltooid onder een Duitse linde langs een binnenweg van Nieuweschans naar Bunde, met uitzicht op het spoorlijntje.

Nog even filosofisch doen. Elke reis, hoe groot ook, zelfs die naar Santiago de Compostela, begint met één eerste stap. Die stap is net zo gewoon als al die duizenden stappen erna. En net zo gewoon als de allerlaatste. Die waarmee ik mijn auto bereik, in het gras bij een driesprong tussen Bellingwolde en Klein Ulsda.

naar boven