naar de Voorpagina

Joeperoog

Prutje-dut

“Dit is het tweede deel van mijn artikel over de herkomst der vogelnamen. Behandeld worden achtereenvolgens: kwartel, paapje, putter, patrijs, alk en kauw.

1   Kwartel

Het woord kwartel stamt volgens Blok & Ter Steege in De Nederlandse Vogelnamen en hun Betekenis (Waalre, 1995) uiteindelijk af van het latijnse quaquila en het oudhoogduitse wahtala, een klanknabootsing van de roep van het mannetje: zip-ze-zip. Wij zien hier duidelijk het verband tussen de verschillende vormen. Ofschoon in het Rivierengebied de vogel wachtel wordt genoemd, heet hij in Noord-Brabant kietkediet, kwikmedit of kikemedie. De drielettergrepige roep zien we hierin in ieder geval wel terug. Wie evenwel in een etymologisch woordenboek op zoek gaat naar herkomst van vogelnamen komt vaak niet verder dan —…”

Hallóó, wat zit ik hier te doen? 'n Wetenschappelijk stuk schrijven? De lezers lastig vallen met een opsomming uit een boek dat ik toevallig heb? Jaja, heel educatief. Volkomen in overeenstemming met het doel der IVN. Maar wie interesseert het?
Weet je wat: Bestand, Opslaan, Afsluiten, U Kunt De Computer Nu Uitzetten.
Barend bellen, laarzen aan, verrekijker mee, de Hendrikus naar Wamel. En daar banjeren we al door het zand langs de Waal. Zo, hèhè, dat is even wat anders.
De wind hebben we in de rug, de zon schijnt in het water. We praten even over de maan die vannacht verduisterd zal zijn. Ga jij kijken? Ja.
Ik hou van dit stuk. Ongerepte natuur. Zonder paadjes en zonder beheersplan. Want het water in de Waal stijgt en daalt met de seizoenen, dus valt er weinig te beheren, te onderhouden, te ontwikkelen. Het ene moment hoor je niets anders dan water, soms golfslag, soms gekabbel, soms zacht geruis, het andere moment alleen maar de wind in de wilgen en je laarzen door het droge gras.

Twee stappen van ons vandaan schrikt een haas op en rent weg, en weer zie je die ongelofelijke snelheid. Je ziet de prachtigste stenen op het strand liggen, je raapt ze op, maar neemt ze toch maar niet mee; thuis heb je er nog zoveel waar je niet eens meer naar kijkt… We sjokken over de strandjes, klauteren over de kribben, kruipen door de wilgebosjes, zonder plan, zonder pad, zonder paaltjes.
Huh? Zonder paaltjes? Barend! Hier staan pááltjes. 'Struinroute' staat er op. Maar we willen helemaal geen route! We willen struinen! Oh Nederland.

Ganzen vliegen op. Grauwe ganzen, kolganzen. Op het water van de voormalige zandwinning drijven kuifeenden en meerkoeten.
Dan wacht ons een verrassing: vroeger kon je hier niet verder, omdat er een inham was van deze zandwinning. Nu is de die inham afgesloten en kun je doorlopen. Je kunt nog verder stroomafwaarts. Ha, hier zijn we nog nooit geweest! Krib na krib steken we over, tussen elke krib ligt een strandje. En elk strandje is weer anders. Elk strandje heeft een eigen vorm, een eigen sfeer, het ene is opener of breder, het andere ronder, weer een andere is omgeven door bomen… Elk strandje is een wereldje op zich.

De zon begint al te zakken, maar we willen nog niet naar huis. Dit is één van die dagen waarop je maar niet moe kan worden. Zo'n dag waarop alles klopt.
We tellen de kribben, en bij de twintigste houdt het op. We zijn al achter Dreumel, en daar is een scheepswerf, en een vaargeul vanaf de Waal er naar toe. Hier kun je echt niet verder: een mooi moment om terug te gaan. We lopen door het weiland langs de vaargeul om te kijken waar dat uitkomt. Kijk Nederland: dit is pas struinen: je neus achterna. En maar zien. Dus baggeren we zo'n beetje door de uiterwaard terug naar de Hendrikus.
Ook onder de Dreumelse dijk is een keurig net stukje natuur aangelegd, zo te zien. De ronde, natuurlijk-gemaakte vormen zijn nog herkenbaar van de tekentafel. Bleh, zeg ik. Dan maar weer het weiland doorgestoken richting Waal en de strandjes. Uit het gras vliegen beestjes op met een kort krrr-kreetje en lange dunne snavels. Barend grijpt mijn arm: watersnippen! Nog een haas vlucht weg. Ineens is de lucht een drukke verkeersweg van een troepje smienten die pieuwend van links naar rechts gaan in ons blikveld, een vlucht aalscholvers van rechts naar links, een fazant vliegt op, drie wilde eenden recht over ons hoofd, daar tussendoor een zootje piepertjes, puttertjes, poverkes of wat het mag zijn, een reiger vliegt laag over het water, de kokmeeuwen zijn overal, en in mijn ooghoek nog een clubje kraaien… Als je maar lang genoeg kijkt, zie je dat de lucht voortdurend gevuld is. En je hoort koer-lie in de verte en je ziet een vlucht wulpen boven de dijk.

De zon hangt als een grote rode bol vlak boven de horizon.
'Vandaag wacht ik niet tot hij onder is,' zegt Barend. 'Vandaag word ik er te droevig van.'
In het droge zand staat dapper een paars tuinviooltje te bloeien. Bij de veerstoep staat een jongen te wachten. Zijn gezicht! Zijn ogen zijn zó lichtblauw dat ik wil vragen: heb je de zon zien ondergaan, net? Maar op dat moment zegt hij: heb je die zon gezien. Kijk, achter je, de maan. Ik draai me om en zie precies aan de andere kant de volle maan opkomen. Die beweging van zon en maan is zo perfect gelijk, dat ik me de spil voel waar zij om draaien. Alles klopt vandaag.

Midden in de nacht gaat de wekker. Slaapdronken kleed ik me aan en sta huiverend naar het verduisteren van de maan te kijken.
Met een warme kruik kruip ik weer in bed. Wie interesseert het dat de kwartel in de Achterhoek prutje-dut genoemd werd?
Barend?

naar boven