naar de Voorpagina

Joeperoog

Sam

Vandaag met Barend naar de Grienden, herinnerde ik me toen de wekker afliep. Een koude dag, wist ik toen ik de gordijnen openschoof. Een zilvermeeuw op de straat pikte in een brood. De laatste dag van januari.

Eendjes liepen voorzichtig over het flinterdunne, zingende ijs op de singel. Een woerd zwom zacht reppend door het water. Ja, reppend. Een woerd kwaakt niet, dat doen alleen vrouwtjes-eenden; een woerd rept.
Houtduiven koerden in een boom, een kraai riep z'n naam, een koolmees probeerde zijn fietspompje, vinken gingen in een troep tekeer en toch was het nog maar kwart voor negen. Barend en ik keken elkaar aan, hij lachte. We liepen de hoek om, naar het station. Ergens in het veld langs het spoor stond een torenvalk te bidden in de lage zon.
We stapten over en zeiden môge tegen de conducteur van de volgende trein. Het glas van het niet langer vandalismebestendige wachthokje lag op een hoop geveegd. Het reikte tot de enkels.
Op de bovenleidingpaal streek een stormmeeuw neer. De overweg tingelde, de zon scheen.
'Het is ongemeen helder vandaag' zei Barend.
De borstveren van een reiger langs de sloot woven in de wind, twee eksters staken de spoorbaan over. Een buizerd vloog prachtig tussen de populieren door, Barend wees naar hem. Een andere buizerd zat heel wit in een jonge boom.
'Wat kunnen ze wit zijn, hè' zei ik. Barend knikte. En we zagen fazanten, kraaien of roeken, of allebei, en misschien wel wulpen in het weiland vlak langs de snelweg. We zagen platte wolken en twee kleuren blauw in de lucht en we wisten niet welke kleur blauw de mooiste was. We zagen nog meer stormmeeuwen, en eenden in de vlucht, en de zon op het riet en de grienden en de kale bomen en prachtige berken langs de spoorbaan.
'Ik wil in ieder geval in mijn leven ooit een berk planten' zei ik tegen Barend. Hij knikte. Ik had het wel vaker gezegd.
De trein reed door een natuurgebied. Meerkoeten, wilde eenden, tafeleenden.
'Zullen we hier stoppen?' vroeg Barend. Ik schudde mijn hoofd, de trein was de eendjes al voorbij en we zagen de derde buizerd.
En we zagen knobbelzwanen, kauwen en vlaggen. Want de koningin was jarig. En spreeuwen en de vierde buizerd. En toch was het nog maar tien voor tien. We zagen een haas en de vijfde buizerd en we zeiden tegen elkaar hoe troosteloos dit landschap is als de zon niet schijnt, als het regent. Slootje-gras-slootje-gras. Gelukkig scheen de zon, ze scheen vanaf het moment dat ze opkwam en de zilvermeeuw in zijn brood hapte. Ze scheen op het laagveen en Barend neuriede: dan juicht mijn land, mijn vlakke land.

We stapten uit de trein en liepen tegen de zon in. Het was een lange weg langs het spoor. We liepen in de richting van waar de trein gekomen was. En al die tijd geen trein.
'Dat is niet erg,' zei ik. 'Een lege spoorbaan is ook mooi.'
'Een lege spoorbaan,' zei Barend, 'is spannender om naar te kijken dan een volle.'
Maar het was afgelopen met de buizerden. Die zouden we niet meer zien, die dag. Wel heel veel eenden en meerkoeten. En verder trokken de individuele futen, aalscholvers, een reiger, pimpelmeesjes en een enkel koolmeesje aan ons voorbij. Of liever, wij trokken voorbij, de vogels gingen door met hun leventje in de takken of op het water. Of in de berm: we wezen elkaar de koperwieken en ik zag zelf voor het eerst de opvallende gele oogstreep.
De troep eenden en kuifeenden op het water met daarachter drie tafeleenden rustig dobberend op de golven van de schepen. Er woei een koude wind, maar die hadden we mee, en we bleven lang stilstaan om naar een brilduiker te kijken. Barend ontdekte het wijfje later, duikend en proestend achter een paar wilde eenden.

Hadden we tot dan toe veel asfalt onder de voeten gehad, nu kwamen we eindelijk in het natuurgebied: de Grienden. Hier drong de getijdenwerking nog door, ook al had je hier zoetwater. Het was eb en het was prachtig om te zien hoe tussen de wilgen de ooit recht gegraven slootjes waren veranderd in wad-achtige kreken, ronde vormen van klei en slib had het water achtergelaten. Vogelsporen in de modder.
We zeiden tegen elkaar dat we hier in het voorjaar zouden terugkomen, als de trek weer begonnen was of het broedseizoen. Ik voelde aan mijn neus dat dit een gebied was voor waterrallen, roerdompen, klein en kleinst waterhoen, woudaapje — denk je niet Barend?
'Neu. Denk 't niet,' zei Barend, en las voor van het informatiebord: 'Sinds de aanleg van dit natuurgebied—…'
'Aanleg van…?'
'…zijn hier al drie wilde eenden, twee meerkoeten en éen waterhoen waargenomen.'

Wat waren we blij dat de zon scheen. Want het was weliswaar een prachtig gebied, windluw door de begroeiing en goudgeel door het vele riet, maar je zou hier maar moeten lopen als het grauw was, in de regen!
Wat was er zo vreemd aan dit gebied? Botanisch en ornitologisch ongetwijfeld zeer interessant, maar we voelden een zwaarte die onze blik naar de grond trok. Ik moest denken aan Ierland, waar in de dennen-aanplant de bomen veel te dicht op elkaar staan en een benauwende sfeer ademen. Hier voelde ik hetzelfde, maar dan tussen de wilgen. Dit was geen plek waar je uitrust, waar je diep inademt, de geuren en de wind opsnuift en zegt: ha!
'Hier is niets wat opvrolijkt' zei Barend, 'een mens moet hier niet komen als hij depressief is.'
'Zouden mensen die element-wezens kunnen ervaren, hier ook gnomen of geesten zien?' vroeg ik.
'Vast geen elfjes' bromde Barend en staarde somber in het water. Ik trok hem gauw mee.
Buiten de grienden ademden we weer vrij en lachten op het gras langs de rivier en zwaaiden naar de schipper.

Barend greep mijn arm: 'Is dat een dodaars?'
Tegen het licht in, nog ver van ons vandaan, zwom en dook een klein vogeltje, kleiner dan de eenden, kleiner dan de meerkoeten die ter vergelijking in het veld van onze kijker zwommen. Dichterbij stond het oeverriet in de weg of scheen de zon op het water. Een takje kraakte onder onze voeten. Weg was het beestje. Het gaf niet. Want we kwamen weer aan de rivier en zagen de zoveelste groep eenden. Daar zwom waarachtig een vrouwtje zaagbek. Ze zwom samen op met de kuifeendjes, was werkelijk de enige zaagbek die waar dan ook te bekennen was en er was ook geen mannetje in de buurt.
We keken even op: er kwam iemand aan. Een jongen. Een leuke jongen. Met een verrekijker. Aha, dachten we. En ik zei plompverloren tegen hem:
'Daar zit een vrouwtje zaagbek.'
'O! Waar?'
'Daar. Helemaal links. Bij die kuifeenden.'
Hij keek, zei 'Oohh!'en 'Ja!' We vonden hem echt leuk.
'Nou, zo doe je dat,' fluisterde ik tegen Barend. Die moest erg lachen toen de jongen zomaar weer doorliep.

We lieten de talloze eenden achter ons en liepen in éen ruk door, we kozen onze eigen weg langs het water, pad of geen pad, alle uitspanningen van vermaak&consumptie negerend want we zaten in ons ritme, we zaten in ons vel en werden niet moe.
Zo kwamen we in de grote stad en stapten in de trein.
Opnieuw reed de trein langs veel water en over bruggen en weer langs de plek waar honderden tafeleendjes zaten. De zon scheen de trein in en we hadden een gevulde koek en koffie en waren gelukkig.
De koningin was nog steeds jarig en haar vlaggen wapperden in haar wind.

O, zon, zei Barend, wat ben je vandaag mooi geweest!

naar boven