naar de Voorpagina

Joeperoog

Strand

't Is zaterdag. De boodschappen zijn weer gedaan, de chagrijnige verkopers bedankt, de huishoudelijkheidjes afgewerkt, en ineens zeg ik: wegwezen. Weg uit mijn huis met m'n allerliefste katten, weg uit de stad met z'n drukke winkelstraten vol geslenter en koopkracht. Ik stap in mijn laarzen en trap mijn fiets naar het station.
Iemand in de trein roept mijn naam als ik langsloop. Ik hoor het niet, effe alleen zijn. En ik zie me al heerlijk in een vogelkijkhut uren turen naar niets.
Of nee, laat ik zee kiezen.

En zo rijdt de trein door de hollandse polders. Slootje - gras - slootje - gras, een fantasieloze regelmaat, gelukkig rijk geïllustreerd met talloze knobbelzwanen, kok- en zilvermeeuwen, wilde eenden, meerkoeten, kauwen, kraaien, een enkele fuut en twee nijlganzen, dat alles in een decor van witte en grijze wolkenflarden, buien en stukjes blauwe lucht.
Zuidwest 8, zeiden ze vanmorgen op de radio. Zou ik nog wat weggewaaide zeevogels zien?
Hoe dan ook, de lente kondigt zich aan: steeds meer kokmeeuwen beginnen een zwarte kop te krijgen en midden in de stad, langs de spoorbaan staan honderden, duizenden klein-hoefbladjes te bloeien.

Op het strand: veel frisse lucht. De branding is prachtig en nodigt uit tot een duik — maar, nee dank u. Enkele zilver- en mantelmeeuwen zweven hoog boven me. En kijk: daar trippelen ze weer, de drieteenstrandlopertjes. Kleine beestjes met lange namen. Of nee, ze trippelen niet, ze rollen, ze zoeven als opwindspeelgoed langs de waterlijn heen en weer. Je ziet de pootjes eigenlijk niet eens bewegen, zo snel gaan ze. Echt schuw zijn ze ook niet. Ze laten zich makkelijk bekijken van zo'n drie meter afstand. Dan, met één korte bliep vliegen ze op als witte mini-scholeksters.
Kijk, die meeuw daarginds, die heeft een vis gevangen ofzo. Met iets in zijn poten probeert hij op te vliegen en landt weer.
Och rare! Een meeuw heeft toch geen grijppoten! Zwemvliezen heeft-ie. Shit, dat is dus geen prooi, dat is troep, rotzooi, iets wat met touw of lijn aan zijn poten vastzit. Hij vliegt op en strijkt op zee neer, vliegt weer op en verdwijnt met de wind over zee.
Een oude stramme kauw wandelt wat over het strand. Loopt wat heen en weer, hoeft niks meer. The old man and the sea.

De zee buldert nog altijd en af en toe breekt de zon even door.
Hoever zou het lopen zijn van hier, Scheveningen, naar pakweg Katwijk? Ik weet het niet uit mijn blote hoofd. Ver. Ik keer om.
En in de trein naar huis begin ik in het slootjeslandschap zelfs wat moois te zien. Plat! Recht! Met niets! En daarboven: alleen maar lucht, van horizon tot treindak, wat een ruimte! En tegen het donkergrijze van die lucht: de regenboog. Daar kan geen koopkracht tegenop.

Iemand op het perron roept mijn naam als ik uitstap.
Oh, ben jij het.
En lachend lopen we het perron af.

naar boven