naar de Voorpagina

Joeperoog

Taizé

1993 en 1995

- Hee, Joep, waarom ga je naar Taizé?
- Och… nee, ik weet 't niet.
- Maar je zei net iets van: om m'n geestelijk leven een impuls te geven.
- Ja. Mooi gezegd hè?
- Wat betekent dat?
- … (stilte)
- Wat zoek je er?
- Vraag niet zoveel. Wacht af. Kijk.

Op een mooie lentedag in oktober verliet ik Tiel en ging op weg naar Taizé.
De trein was weer internationaal, Parijs was druk en vol als altijd, de hotelkamer had een tv en in Mâcon zou de bus naar Taizé vertrekken vanaf hetzelfde hoekje als altijd.
Weer ontmoet ik daar de eerste andere Taizé-ganger: de onvermijdelijke Duitse jongen met dons op z'n kin. En natuurlijk is hij krankenpfleger.

Maar eerst nog…

Paris, Gare de Lyon. De jongste van alle baliemedewerkers helpt me aan de nodige inlichtingen. Ik wil namelijk met de gewone trein naar Mâcon-Ville.
'Waarom gaat u niet par TGV?' vraagt hij, 'dat gaat veel sneller.'
'Jazeker,' zeg ik, 'maar je ziet ook minder.'
Een brede lach. 'C'est vrai,' zegt hij.

Taizé is nog altijd Taizé. Troepen jongeren dwarrelen over het terrein en ik voel me oud en jong tegelijk.
Maar als we de kerk binnenkomen begint het verhaal. Een verhaal waarvoor ik op de derde dag nog steeds geen woorden heb gevonden. Ik zit in de kerk, ik zit veel in de kerk en de ene zucht volgt op de andere. Ik zit in de kerk en weet alleen maar dat het me heel erg goed doet. Dat schrijf ik dan ook op de kaarten aan het thuisfront, hoe goed het is om hier te zijn.

Lieve O.,
Ik wou dat je hier kon zijn, dat je het hier eens kon zien.
De kerk is schemerig. Het koor is mooi verlicht, het altaar is maar klein, symbolisch. Met enorme oranje doeken die van hoog aan het plafond naar beneden tot de grond gedrapeerd zijn en het licht erdoorheen wordt een heel warme sfeer geschapen. Veel ikonen ook, afbeeldingen uit de oosters-orthodoxe kerk. Een kruisikoon, een Maria-ikoon, een ikoon van de opstanding.
De kerk is heel groot. Modern maar toch heel sfeervol. Ach dat wil ik allemaal niet schrijven. Ik wou schrijven dat, telkens als ik hier kom, vele malen op een dag, ik binnenloop in een oase van rust en een gevoel van welkom. Welkom wie je ook bent en wat je ook gelooft. Welkom of je gelooft of niet. Telkens moet ik zuchten, dat schreef ik al. Hèhè, thuis. Zo'n gevoel. Ik stop even met schrijven, ik wil het je liever zelf vertellen.

Geen grootse ervaringen, geen diepe gedachten, geen grondige gebeden.
Kippevel soms, toch.
Op vrijdagavond wordt het kruis in het midden van de kerk neergelegd, en hier, daar, overal staan jonge mensen op in de volle kerk en lopen er naar toe om er te knielen en te bidden. Daar krijg ik kippevel van.

Kippevel als de klokken gaan luiden. Ik blijf een keer buiten de kerk staan om de klokken te zien luiden. Vijf, van groot tot klein. Een helder blij gezang. Een vrolijke dans.

Geen grote devotie, geen heilig heilig. Ik ga een keer helemaal achterin de kerk zitten, tegen de achterwand, om daar de dienst te volgen. Ben ik een toeschouwer, neem ik afstand? Hoe dan ook, het is een komen (en gaan!) van mensen: de klapdeuren staan geen moment stil. Het is een kerkplein, hier dringt de zware devotie niet door. Hier zingen enkele dunne stemmetjes mee. Ook die van de stoere jongen naast me, die eigenlijk niet durft.

Anders dan een vorige keer, voel ik me zonder meer gerechtigd om aan eucharistie, avondmaal of communie deel te nemen. Maar er is ook het 'gezegende brood' voor hen die zich niet 'gerechtigd voelen tot', met een verwijzing naar het verhaal van de Spijziging van de Vijfduizend.
Daar ga ik met mijn gerechtigheid; ik neem van het gewone brood, het brood voor heidenen, ongelovigen, twijfelaars, spionnen, vijanden, nieuwsgierigen - ik krijg het er warm van. Kippevel.

We praten over Elia, die ervaart dat god niet in de storm, niet in de aardbeving, niet in het vuur is, maar in het suizen van een stilte. We worden er zelf stil van.
Maar een dag later wordt er voorgelezen over trompetten, engelen, tronen, kronen, machten en luider stemmen.
Ik snap het niet goed.

naar boven