naar de Voorpagina

Joeperoog

Tweede kerstdag

1989

Vandaag ga ik weer eens met een NS-dagkaart op stap. Vandaag kan ik op een christelijke tijd uit bed: vandaag rijden de treinen als op zondag. Om half acht zet de dikke diesel zich in beweging vanaf Heyendaal Parkstation, vandaag naar het Zuiden. In mijn zak zit, naast de dagkaart, een retourtje Grens - Visé, dat geldig is tot en met de 27e. Ongestempeld, dus die ga ik nog een keer gebruiken.
En verder, och ik zie wel. Vandaag zal ik niet alleen zijn. Vandaag zal ik Tweede Kerstdag vieren temidden van duizenden. Duizenden om me heen in de treinen om me heen, de stationshallen, de steden en de cafés.

Oudergewoonte ben ik aan de rechterkant van de trein gaan zitten. Het duurt even voor ik doorheb dat het ochtendrood waar ik op wacht zichtbaar is door het linkerraam — natuurlijk: het oosten is daar.
En zo verhuis ik naar links. En zie tot Roermond de hemel in brand vliegen. Feller, feller. Op het moment suprème zitten we in de stad en tussen de kappen van het station. O mysterie van zonnewording.
In Roermond heb ik twintig minuten voor de overstap naar Heerlen. Ik loop zomaar wat de stad in. Er klinkt zwaar Roomsch klokgebeier uit de verte. De Munsterkerk steekt boven de donkere huizen uit en baadt in oranjerood licht alsof hij beschenen wordt door felle lampen. Maar het is de zon. De zon. Pleni sunt caeli et terra gloria tua.
De straten zijn uitgestorven — nee dat is het woord niet. De stilte is geen doodse stilte, maar een slapende. Roermond slaapt, de wind waait ergens anders, niet hier, de klokken bommelen beschaafd in een verre achtergrond.
Onverwacht, na wat gedwaal door de winkelpromenade, sta ik oog in oog met de oranje kerk. Getroffen blijf ik staan, denk even aan de zon, denk aan mijn twintig minuten, en keer me om. Terug naar het station. Op dat moment houden de klokken op.

Van Roermond reis ik nu eens niet, zoals ik vaker deed, naar Maastricht, maar naar Heerlen. Roermond-Maastricht is Maasvallei, maar richting Heerlen duik je meteen de Zuidlimburgse heuvelen in.
En Heerlen: een modern en licht stationsgebouw dat ik nog mooi vind ook. Modern en mooi, hoe kan het.
Andermaal door de heuvelen, naar Maastricht. Daar wissel ik frankskes en loop naar de Servaas. Tegenover de Servaas staat een café. Niet denkend maar doend stap ik naar binnen. Gezellige bruine kroeg met bordjes als: Wie drinkt om te vergeten moet vooraf betalen. Ik neem een warme chocolademelk en om vijf over tien is het tijd om op te stappen. Naar Visé.

Vlak voordat ik de Servaasbrug opstap komt er een kleine man naast me lopen. Ja, naast me. En begint een monoloog. Zoals zo vaak bij zulke types, denk ik. Maar wat hij zegt interesseert me. 'Geen wonder dat iedereen met Kerstmis ruzie heeft, ze hebben niks omhanden. En als ze niks te doen hebben gaan ze ruzie maken. Ik zal blij zijn als het nieuwe jaar begonnen is, dan kan ik weer naar de bedrijfsarts, heb ik weer wat te doen.'
En hij praat verder over zichzelf, zijn leven in internaten, en nu eens niet het klassieke verhaal van dat het daar niks is. Eerder het tegenovergestelde: hij zou in een internaat terug willen. Waar hij nu zit, is me niet duidelijk, maar hij mag dit niet en hij mag dat niet. Wel is hij lid van een wandelclub waarvoor hij geen kontributie hoeft te betalen, en het is het enige wat hij omhanden heeft. En zo praat hij door. Hij is intelligent, waarschijnlijk ooit eens gemangeld en gepakt in een intellectuele molen. Ik luister, zeg af en toe 'hm', en kijk hem twee keer aan. De Maastrichters zullen hem wel kennen, maar ik trek me niets van hen aan. Ik laat merken dat ik luister door naast hem te blijven lopen. Maar wat moet ik zeggen? Niets.
Vóór het station zegt hij: 'Niks zeggen, dat is maar het beste. Laat ze maar uitrazen, geeft niks. Alleen jammer dat het tijdens de feestdagen gebeurt.'
En met dat hij dit gezegd heeft, snap ik dat het op hem en mij slaat. Ik had 'tot ziens' ofzo willen zeggen, maar hij loopt al naar de loketten.
Nu ja. Ik stap in mijn trein naar Visé.

In Visé is de zon.
Ik loop langs hotel Il Padrino op zoek naar het spoor, het goederenspoor naar Duitsland, en de lus. Een straatje met de naam Longue Vue brengt me tussen de sporen. Het is er stil en uitgestorven. Tweede kerstdag: er wordt niet gewerkt. In een verlaten en vervallen diensthuisje vind ik een plakje rail. Ik wurm het in m'n rugzakje. Voor thuis op de schoorsteenmantel. Het pad loopt dood in de oksel van het knooppunt en ik ga terug.
Terug naar Maastricht. En dan naar Vlissingen. Naar een andere grens: grens van land en water. Kijken wat daar is. Een vorige keer, in 1986, was er mist. Wat is daar nu?

In de trein naar Vlissingen: wat is dit een deprimerend landschap. Net als in de Flevopolder: niks. Tegen de boeren moet daar ooit gezegd zijn: hier heb je een boerderij, koop een ploeg en vermaak je.
Een lange rechte weg, een afslag in de middle of nowhere en een verlaten bushokje accentueren de leegte. Hier en daar een boerderij. Waar de boeren zich mee vermaken. Maar ja, ik ben geen Zeeuw hè.
En dan: de machinist kondigt Rilland-Bath aan en begint te remmen. Rilland-Bath. Een achtertuin, een huis. Twee gaten op gelijke afstand van de spoorlijn die met z'n tweeën een perron bestaansrecht geven. De moed zinkt me helemaal in de schoenen als ik het bordje bebouwde kom zie. 'Stationsbuurt' heet het hier. Heeft dit land er misschien om gevraagd om onder te lopen?
Kruiningen. Yerseke. Links een spoorweghuisje, rechts een modderakker. Een dun rijtje bomen aan de achtergrond. Gelukkig wordt het donker. Bestaat Vlissingen wel?
O Heer, Schepper van dit al, waar was U met Uw gedachten toen U Zeeland maakte?

Vlissingen bestaat inderdaad niet.
Uitgestapt in het Kemijärvi van Zeeland: geen stationsrestauratie, geen straat, geen huis, geen winkel. Alleen steigers voor Breskens, een telefooncel en een taxi. Kortom, als je verder wilt, moet je véél verder, want Vlissingen meneer, Vlissingen dat is niet hier.
Enkele zielige treinreizigers lopen naar de boot — of de plek waarvan ze hopen dat daar een boot komt. Ik heb medelijden met ze: na uren in de trein, aangekomen op een onbewoond schiereiland, zijn ze nòg niet thuis. Wachten op de boot. Oversteek. Wachten op de bus. Busrit. Lopen naar huis, verdwalen in het donker, vastgeraken in de klei. Misschien gebeurt er een wonder en vinden ze op oudejaarsavond hun huis en geliefden nog terug.

Gelukkig ontwaar ik een bordje voetgangers centrum sluis oversteken. Het duister sluit zich om me heen, en daarmee de stilte. Het nowhere is nog meer nowhere dan ik gedacht had. Ik zoek mijn weg zigzaggend, de groene pijlen volgend en de rode mijdend, over het sluizencomplex, ijzeren voetpaden over het water, rammel rammel tang tang tang onder je voeten in de stilte.
Aan de overkant van de sluis: niets. Alleen een bordje voetgangers centrum 1400 m.
Kwartiertje lopen, bereken ik. En ik begin. En ja hoor, er staan wat huizen. Van zulke die ze elders in Nederland al hebben gesloopt. Hier schijnen ze zich ermee te vermaken. Na de huizen: niets. Alleen loodsen en fabrieken. De stilte is beklemmend. Het water in de haven is zwart en in de verte ergens achter me knipperen wat zeevaartlampen. Ik schat dat hier per avond gemiddeld twee voorbijgangers uit pure ellende het zwarte water induiken.
Mijn berekening klopt: na tien minuten begint een woonwijk. Jaren-dertighuisjes aan te nauwe straten.
Maar plotseling sta ik aan "De" haven waar twintig kleuren neonlichten van allerlei eet-, drink- en dansgelegenheden me laten weten dat ik me waarschijnlijk vergist heb en Vlissingen ben binnengelopen via de achterdeur.

Heb ik honger, heb ik geen honger? Ik wil wat eten — en even iets anders dan die boterammen kaas die ik vandaag al naar binnen heb geduwd. Op zoek naar een chinees kom ik langs een café. Koffie! Niet denkend maar doend: naar binnen.
Eerste hindernis: deur klemt.
Na een aculturele douw sta ik in een cultureel café vol artistieke dames in artistieke jurken en culturele mannen in culturele colbertjes. Iedereen kijkt naar mij en ik besef dat ik geen culturele jurk aan heb. Ai!
De werking van de rook op mijn keel negerend loop ik naar de bar en bestel koffie, ondertussen zoekt mijn oog een leeg tafeltje. Met de koffie in mijn hand door al die mensen heen — heren van over de 50 samen met meisjes van onder de 20 — naar mijn plek, maar de stoel is nat, daar heeft een jurk zojuist d'r sherry overheen gekieperd. Ik verwissel de stoel met een andere stoel, en een jurk ietsie verderop zegt nèt iets te hard tot haar minnaar: zie je dat hij verwisselt die stoelen…
Een vieze poedel komt om mijn koekie bedelen, maar ik zeg move en hij luistert niet. Dan maar pissen. En ik loop langs velerlei langs de wanden opgehangen, van grote vraagsommen voorziene artisticiteit naar de Heren.

Deur klemt.

Terug op mijn plek ga ik ook maar artistiek zitten doen: schrijven.
En nu: moeven. En op straat aan iemand vragen: Hoe kom ik hier uit? Waar is hier een station?

Het eerste echtpaar dat ik aanspreek - raak: Duitsers. Natuurlijk, dit was toch Vlissingen?
Het tweede stel is nog geen echtpaar en nog wel leuk.
Hij: "Gewoon die bus volgen. En dan steeds maar rechtdoor en dan kom je er vanzelf."
Zij: "Weet je dat wel zeker, Pieter."
Hij: "Jawel, jawel."
Nou ik zie wel, zeg ik, en loop met goede moed door het meer bewoonde deel van Vlissingen. Het manlijke en het vrouwlijke vullen elkaar weer eens aan; zijn zekerheid en haar twijfel als jin en jan. Want haar twijfel heeft me opmerkzaam gemaakt en op zeker kruispunt voel ik dat ik niet 'steeds rechtdoor' moet, maar rechtsaf.
Hoe weet u dat? Voel ik. En zo kom ik zonder omwegen bij het station, trek een koffie uit een automaat, net zoals op die mistige ochtend in 1986 en stap in.

Anderhalf uur later zit ik in de D287 van Paris-Nord naar Amsterdam. Ik heb de glijdende en geruizloze Corail-rijtuigen gelaten voor wat ze waren en ben in een ouder rijtuig gestapt, zo'n Franse Plan W zal ik maar zeggen, in een coupé boven de wielen. Gordijntjes voor het schuifdeurtje dicht en licht uit, voeten op de bank tegenover me. Zat ik niet in een niet-rokencoupé, ik had een sehaachtje opgestoken. Een coupé voor mij alleen, wat een ruimte! Om hardop te praten, om te neuriën of te zingen, om je aanstekertje als kaarsje voor het raam te houden als je door een station rijdt. Om te dromen dat Lis naast je zit. Tegen je aan bedoel ik, en ze slaapt. (Tas aan de kant, armleuning omhoog, arm om d'r heen.) Even na Leiden wordt ze wakker en vraagt: waar zijn we. We hebben Leiden net gehad, zeg je, nog zo'n twintig minuutjes naar Amsterdam.
Met kleine oogjes kijkt ze uit het raam. Naar de lichtjes die voorbijhobbelen. Je streelt haar arm, haar oren, haar gezicht en door haar korte haar.
Of Jojo. Tas aan de kant, armleuning omhoog, arm om hem heen. Hij slaapt, en als hij wakker wordt vraagt hij, waar zijn we. Even voor Schiphol, nog een kwartiertje tot Amsterdam. En je streelt zijn arm en zijn rug. En hij pakt je andere hand en houdt 'm vast. Ik geef 'm een zoen.
Of Tup, tegenover me. We kwamen elkaar, na jaren van Koude Stilte, tegen op het perron in Visé. Dit kan geen toeval zijn, vonden we allebei. En we gingen er eentje drinken in Visé. En zo kwamen we in Roosendaal terecht en in deze trein.
Joep, zei Tup, en toch ben ik blij dat ik dit met jou weer mag meemaken.
Ik ook, zei ik.

En de trein hobbelt verder en bereikt tenslotte Amsterdam. Tenslotte reis ik per gebipa van Amsterdam naar Arnhem en hang in Amsterdam nog even enkele minuten na vertrek uit het raampje, langs de buitenlandse rijtuigen en langs de Amsterdamse ramen met kerstbomen. Ik schrijf en wacht op Arnhem. Mijn overbuurman die hinkend van moeheid was komen aanlopen is als een blok in slaap gevallen op zijn grote rugzak.
De Dikke Diesel Dame brengt ons van Arnhem naar Nijmegen en zelfs naar Heyendaal Parkstation.
Ondanks dat het winter is, en ondanks dat ik meer in het donker heb gelopen en gezeten dan in de zon, neurie ik op weg naar mijn flat, de Gele Toren, mijn liedje.

en de zon scheen op de sporen
op het perron stonden bankjes
op een bankje, daar zat ik
en ik zat in de zon
en ik zat in de zon

Jojo, Lis, Tup … Ik geloof dat ik niet gelukkiger of ongelukkiger ben zonder hen — zal ik maar zeggen.
Het maakt niet uit.
Het maakt echt niet uit.

naar boven