naar de Voorpagina

Joeperoog

Verkoopdemonstratie - ‘Rechts ut Ziek'nfonds’

1993

De dag begint vroeg, heel vroeg. En ik was laat in bed gekomen, heel laat.
Donderdagnacht om twee uur is mijn werkweek afgelopen; vrijdagochtend om vijf uur vijfenvijftig "rijdt de luxe bus ons naar het mooie Friesland. Onderweg zullen wij pauze hebben in een gezellig restaurant voor een Duits ontbijtje met koffie (bij de prijs inbegrepen), dan volgt deelname mogelijkheid aan een flitsende informatieshow door de firma ThermoTex, niet verplicht, en mogelijkheid om te lunchen, niet bij de prijs inbegrepen.
Daarna zullen wij aan boord gaan van het passagiersschip Dolfijn II en zullen wij koers zetten richting het eiland Borkum; aan boord zullen wij belastingvrij kunnen winkelen. Bovendien ontvangen zowel de dames als de heren een cadeau.
"

De vriendelijke chauffeur met de grote bril en de aardige snor wenst iedereen fris een goede-morgen toe, frisser dan de meeste passagiers: het is vroeg.
Het gezelschap: minima, AOW-ers en anderen beneden modaal. Zo kom ik als (half-)academisch gevormde in contact met het gewone volk. Dat kan aan de lopende band in de fabriek, en dat kan in een bus met verkoopdemonstratie. Het ruikt al spoedig naar kapsalon.
Eenmaal op weg heet de frisse chauffeur ons hartelijk welkom, vertelt ons dat we in Nieuwleusen bij Zwolle een korte stop zullen maken, nee, niet voor koffie, maar omdat hij zal worden afgelost door een collega, een chauffeur die ons de rest van de dag heen en weer zal rijden en ook thuis zal brengen. Onder het rijden zoekt hij een cassettebandje uit, de speler gaat aan en begeleid door James Last rijden we door het Rivierenland.
Bij Apeldoorn vraagt iemand of er misschien ook gerookt mag worden. Ik heb er niks op tegen, zegt de frisse chauffeur. En staat binnen vijf minuten de bus blauw. Goedemorgen.
Schuin achter mij zit een mager oud mannetje met rode waterige ogen en trillende handen; hij zou niets meer waard zijn als zijn vrouwtje niet bij hem was. Hij heeft een bolknak tussen de lippen als een kleuter een lolly. Ik zal hem de hele dag met kortere of langere stukken sigaar rond zien schuifelen.
Ik snak naar koffie en ik niet alleen. Het volk mort. Maar eerst naar Nieuwleusen. Daar wordt de frisse chauffeur afgelost door een jongere broer van Ome Joop - geen koffie voor ons. De broer van Ome Joop heeft een dik rood hoofd en zit gejaagd achter het stuur; ik vrees voor de rest van de dag - àls er ons nog een rest rest.
Met un zwaer plaetseluk accenth geeft de man onderweg biezonderheed'n oaver wat zich links en rechts van de weg bevindt: mothel van der Valk, de ThieThie-baen, de fabriek van dit en de fabriek van dat. Jaja, heel interessant.
Uiteindelijk bereiken we Loppersum (we gingen naar het mooie Friesland, weet u nog) en we moeten de bus uit. We worden in een kegelzaaltje van hotel Spoorzicht gedreven waar de verwarming nog maar even niet was aangezet. Tussen de plastic planten en glimmende antiquiteiten staan lange tafels met papieren tafellakens. Ieder krijgt een wit kadetje met een plakje kaas ertussen in handen geduwd en het eerste kopje koffie hoeven we niet eens zelf te betalen. Het Duits ontbijtje.
Een vlotte grijze meneer heeft bijna twee uur nodig om te vertellen dat zijn dekens 'echt heel goed' zijn. Ondertussen probeert een gereanimeerd veenlijk allerlei drankjes aan ons te slijten, van sapjes tot en met binnenlands gedestilleerd. Het is tien uur. De oude man neemt zijn sigaar uit de mond om er bibberend een glaasje jenever aan te kunnen zetten.
Voor de gezelligheid, het contact, weet u nog, blijf ik met het gezelschap lunchen. Een vaag stukje vlees in een groezelige saus die naar kerrie ruikt, drabberige worteltjesdoppertjes en aardappelen zo klef dat we de jus niet eens missen. Wie wil nog ijs toe? Ja, wel op eigen rekening hoor, al zeggen we dat niet hardop. Geef mij maar een biertje, zwicht ik, als ik zie hoeveel lege glazen er al om me heen staan. Het is half een.
Kennelijk heeft de grijze vlotte meneer nog niet genoeg verkocht dus hij probeert het nog een uurtje. Daar kan het meest simpele (of goedige) (of goedgelovige) deel der bevolking niet tegen. Tegen schuldgevoel. Want dat praat de vlotte meneer hun aan. En ze kopen. Waarachtig, ze kopen.
Eindelijk mogen we er weer uit. De bus in, naar de boot. Het regent.


Hèhè, Joep staat op de boot. Hij staat er alleen. Hij staat te kleumen, maar hij staat op de boot. En de boot vaart! Iedereen zit binnen in rokerige… salons zoals dat heet, bier of koffie te drinken en te wachten tot men het belastingvrije winkeltje in mag. (Even uitleggen: iedereen heeft een nummer op zijn bootkaartje, en van tijd tot tijd wordt er omgeroepen dat de nummers zus tot en met de nummers zo nú aan de beurt zijn.)
Buiten waait het, regent het. Ik geniet van deze elementen, maar na drie uur slaap en zo'n vol ochtendprogramma houd ik het niet onbeperkt uit. Af en toe vlucht ik naar binnen om me op te warmen. Want binnen is het ècht warm. En er is hete choco en friet dus dat zit wel goed.
Als we bij Borkum komen is het droog. We varen de Schutzhafen in en we varen de Schutzhafen weer uit. (Stond er soms in de folder dat we er zouden aanleggen? Nou dan.)
Ik ben aan de beurt, lever mijn bonnetje in voor mijn cadeau: een liter jenever, en zoek het dek weer op. Geen zeehonden, ach natuurlijk niet. Wel overal mensen met fraaie flessen. Witte, groene, bruine flessen met hele mooie etiketten, en dat steeds meer. Precies als we weer te Eemshaven aankomen is iedereen aan de beurt geweest. Als ik over de reling naar de loopplank kijk waarover de menigte de stampvolle boot verlaat, zie ik niets dan mensen met flessen in de hand en sloffen sigaretten. Als overwinningstrofees na een lange en gevaarlijke rooftocht.
De heren van ons gezelschap hebben dus een fles jenever kado gekregen; de dames een fles parfum. En weer ruikt de bus naar kapsalon. Het ruikt heel erg naar kapsalon.
De chauffeur is onverstoorbaar: "Ik hoop daddu allemael genoot'n heeft en nu gaen we weer trug."
Bij Hoogeveen verlaat hij de snelweg voor een - denkt hij - kortere weg door Meppel, maar hij rijdt verkeerd, verdwaalt in Meppel, maar maakt van deze nood een deugd.
"Dit iz duz Mebbl, hier links iz ut ziekenhuiz en rechts de nieuwbouwwijk'n. Elke zomer word'n hier de Mebbldaeg'n georganiseerd met veel festiviteit'n enzo, er iz dan van alles te doen. Dat daer vóór ons iz de technize school en hier rechts iz het ziek'nfonds."


Maar goed, ik heb weer wat van Oost-Groningen gezien, dat pannekoekeplatland van graan, bieten en eerpels, ik heb weer door Drenthe gereden en goed gekeken. Ik heb dus toch iets met Drenthe. Jazeker. Ik heb veel zitten slapen in de warme bus na de frisse zee. Ik heb de Veluwe weer eens gezien vanaf de A50, de Woeste Hoeve, de Rijn een eind verderop.
Ik heb gezweefd tussen mijn stand - afkomstig uit de 'betere milieus', als ex-student, als bewust-levend mens met alle bla bla - en het plebs, Jan en Gerrie of opa en oma uut de Azaleastraat voor wie zo'n reisje eindelijk betaalbaar is en echt eens een uitje. Vol platte moppen en dubbelzinnige toespelingen. Ik heb me zo weinig mogelijk afgezonderd maar gekeken hoe ik een beetje met zo'n groep kon optrekken. Ik heb gezweefd tussen ik-alleen en - … hoe verder de reis naar het einde liep, hoe meer gezelligheid. Nou ja gezelligheid. Doe maar gewoon. Maar wat is gewoon. Als de éen na de ander uit de bus stapt is duidelijk dat al dat losse zand zich in een dag min of meer een groep is gaan voelen. Een groep voor éen dag maar, voor een kort moment, maar toch. Dag hoor, tot ziens, ik kom nog 's koffiedrinken hoor! Doei! En ik bedenk me dat ik heel wat van deze koppen zo weer in de stad, in Hema of Wibra zal kunnen tegenkomen.
Als ik op de fiets stap en wegrijd, zwaai ik nog maar eens. Ze zwaaien terug.

naar boven
naar boven